top of page

Chromatiek in klank en beeld

nr.

5

Het landschap verdwijnt in een verhaal van kleur en kleurschakeringen. 

Edvard Grieg

Paul Sérusier

Detail uit ‘De Talisman of Landschap aan het Bois d’Amour’, van Paul Sérusier, 1888, olie op paneel, 27 x 21,5cm, Musée d’Orsay, CCO Publiek Domein via Wikimedia Commons



Romantiek en nationalisme

De romantiek, kortom de negentiende eeuw, was een van de veelzijdigste periodes in de muziekgeschiedenis. Een periode van extremen, waarin de grenzen van de genres werden afgetast en tegenover het verleden overschreden, aan beide zijden van het spectrum: enerzijds een tendens naar extreme reductie, zoals in de intimiteit van het lied (Franz Schubert, Robert Schumann) en het lyrische klavierstuk (Schubert, Schumann, Mendelssohn),  anderzijds een streven naar uitbreiding, naar monumentaliteit, zoals de symfonieën voor extreem grote orkesten (Gustav Mahler) en het muziekdrama (Richard Wagner). 


Binnen deze tegengestelde tendenzen sijpelt ook het nationaal gevoel binnen. De expansie van Duitsland begon met de strijd tegen Napoleon. Steeds frequenter vervingen componisten de ingeburgerde Italiaanse tempo-aanduidingen door Duitse, zoals Schumann. In Italië werd Giuseppe Verdi het symbool van het Risorgimento, de ‘herrijzenis’ van het land dat overheerst werd door Oostenrijk. Het beroemde Slavenkoor uit zijn opera Nabucco werd een immens populair strijdlied.


In Frankrijk kreeg het muzikale nationalisme een sterke stimulans na de Frans-Duitse oorlog (1870-71) met de oprichting van de Société Nationale de Musique door Camille Saint-Saëns. Het meest overtuigend kwam echter het nationalisme op het voorplan in de landen ten oosten van Duitsland, of in die gebieden die gelegen waren aan de periferie van de Europese muzikale traditie, namelijk Rusland, Bohemen, Scandinavië en Vlaanderen, naderhand ook Finland, Spanje en Hongarije. Het kwam erop aan zich te ontworstelen aan de Duitse en Italiaanse invloeden. Daartoe werd de eigen taal verheven tot kunsttaal (in liederen, koorwerken en opera’s). Het nationale verleden leverde de stof voor opera’s en programmatische orkestmuziek. In de opera kregen volksliederen en volksdansen een centrale plaats. Typische kenmerken van de volksmuziek, die afweken van de ‘klassieke’ patronen, drongen door in de kunstmuziek, zoals  

  • ongewone melodische wendingen,  

  • puur coloristische harmonieën (bizarre akkoorden, louter gekozen om hun schoonheid, los van de strenge regels van weleer),  

  • onregelmatige maatsoorten (zoals 5/4),

  • frequente maatwisselingen

  • en complexe ritmen.   


Elk van die landen bracht sterke persoonlijkheden voor die als ‘nationale helden’ op handen werden gedragen en die vaak ook internationale faam verwierven. Een van hen was Edvard Grieg, het boegbeeld van het muzikaal nationalisme in Noorwegen


Edvard Grieg (1843-1907) 

Van 1536 tot 1814 vormde Noorwegen een unie met Denemarken. Na de Napoleontische oorlogen werd Noorwegen verenigd met Zweden. Pas in 1905, twee jaar voor het overlijden van Edvard Grieg, werd Noorwegen een zelfstandige natie. In de negentiende eeuw was Scandinavië op muzikaal gebied afgestemd op Duitsland. Vooral Felix Mendelssohn en Robert Schumann waren de modellen waaraan men zich spiegelde.


Links: ‘Edvard Grieg’, geschilderd portret uit 1891 door Eilif Peterssen, Oslo, Nationaal Museum voor Kunst, Architectuur en Design, CC0 publiek domein, foto Nasjonalmuseet - Rechts: ‘Grieg aan de piano’, foto E. Djupdræt, atelier E. Bieber, ca. 1907, Bergen Universiteitsbibliotheek, publiek domein - Midden: Griegs handtekening, via Wikimedia Commons

Gestimuleerd door de internationaal vermaarde vioolvirtuoos Ole Bull (1810-1880), die ook in België optrad, kon de vijftienjarige Grieg in 1858 in Leipzig studeren, waar hij tot in 1862 verbleef. Hij ontpopte er zich als een uitstekende pianist en pende er zijn eerste composities neer. Nadien vervolmaakte hij zich nog in Kopenhagen. Vanaf 1864 ontlook in Noorwegen stilaan een tendens om een eigen nationalistisch getinte muziek te promoten, die bij Grieg al merkbaar werd in zijn eerste van tien bundels Lyrische stukken voor piano.


De echte doorbraak kwam er echter met de kennismaking van een uitgebrede verzameling volksliederen van de componist en organist Ludvig Mathias Lindeman (1812-1887) die tussen 1853 en 1863 verschenen. In 1868 bewerkte Grieg daaruit 25 liederen voor piano (opus 17). Uit datzelfde jaar dateert zijn enige – en populaire – Pianoconcerto, dat Franz Liszt in 1868 in Rome direct van het blad speelde! Intussen trad ook Grieg in binnen- en buitenland vaak op als dirigent en pianist, meestal met eigen werk, zoals de bekende toneelmuziek bij het drama Peer Gynt van Henrik Ibsen uit 1874-76. In zijn composities nam de invloed van de volksmuziek almaar toe, met als hoogtepunt de bundel Slåtter of Noorse boerendansen uit 1902-03.   


Edvard Grieg Museum Troldhaugen in Bergen, gevestigd in het vroegere huis van de componist Edvard Grieg, die er woonde van 1885 tot aan zijn dood in 1907. Naast het huis is ook de kleine hut, waar Grieg componeerde met uitzicht over het fjord. Bij de villa is in 1985 een concertzaal gebouwd. Foto's Jan Van Daele

 

Lyrische stukken (1867-1901) 

Tussen 1867 en 1901 verzamelde Grieg in tien bundels 66 zogenaamde ‘lyrische stukken’, korte pianowerkjes die in de romantiek een uitzonderlijk succes kenden, vooral door de immense populariteit van de piano en de bloei van het huiselijk musiceren door zowel amateurs als professionelen. Illustere voorbeelden waren de Lieder ohne Worte van Felix Mendelssohn, die in acht reeksen van telkens zes stukken tussen 1830 en (postuum) 1850 verschenen, en een aantal cycli van Robert Schumann (Papillons, Carnaval, Kinderszenen...). 


Zoals bij Mendelssohn zijn het bij Grieg losstaande stukjes, en geen cycli op basis van één centraal inhoudelijk thema zoals vaak bij Schumann (en soms met een autobiografische inslag, zie de bespreking van Carnaval in de eerste reeks, nr. 27).


De titels verwijzen bij Grieg naar dansen (Wals, Mars, Menuet, de Noorse dans Halling), eventueel met toevoeging van een volks element (Mars van de trollen, Boerenmars, Dans van de elfen), naar een volkslied (Noorse melodie, Nationaal lied, Volkse melodie) of het zijn meer neutrale benamingen (Scherzo, Melodie),  maar de meeste zijn karakterstukjes met een titel die een bepaalde sfeer oproept of die aan een buitenmuzikaal element refereert (Wiegelied, Melancholie, Notturno, Elegie, NostalgieVergane dagen, Avond in de bergen, Er was eens..., HerinneringenBeekje,  Vlinder, Huwelijksdag in Troldhaugen, de plaats waar hij de laatste twintig jaar van zijn leven verbleef) ... We selecteren de twee stukjes met de titel Elegie. 

 

Chromatiek in Elegie Opus 38, nr. 6, 1884, en in Elegie Opus 47, nr. 7, 1888

Een elegie in de muziek is een instrumentale of vocale compositie met het karakter van een lamento, een klaagzang, specifiek naar aanleiding van het overlijden van een geliefde of een beroemde persoon, maar het woord wordt ook, zoals bij Grieg, in algemene zin gebruikt. 

Het tempo is doorgaans langzaam (op. 47, poco andante) of gematigd (op. 38, allegretto semplice). Het metrum wisselt (3/4 in op. 38, 2/4 in op. 47). De melodie verloopt vloeiend, zonder sterke accenten, maar zangerig (in op. 37 noteert Grieg cantabile) en met expressie uit te voeren (in op. 47: espressivo). De dynamiek is overwegend zacht (piano, pianissimo), al is een emotionele uitbarsting niet uitgesloten (in op. 47). Aan de Noorse volksmuziek ontleend is een vaak voorkomend melodisch motief dat hier al bij de inzet opduikt, namelijk een dalende secunde gevolgd door en een dalende terts (waarmee Grieg ook zijn pianoconcerto opvallend begint). Ook het onregelmatig metrum is kenmerkend voor de volkse liederen en dansen. 

  

Wat nog het meest opvalt en de melancholische sfeer ingrijpend bepaalt is de chromatiek (gekoppeld aan een dalende melodische lijn). Met chromatiek krijgt de muziek een bijzondere ’kleur’ (van het Griekse chroma), met name de opeenvolging van halve tonen (eenvoudig uitgedrukt: afwisselend een zwarte en een witte toets op de piano), die het normale melodische verloop verstoort. Chromatiek wordt al sinds eeuwen geassocieerd met negatieve gevoelens, zoals lijden, verdriet, klacht, dood ...


Een van de beroemdste voorbeelden is de aria When I am laid in earth, die de stervende Carthaagse koningin Dido zingt aan het slot van de opera Dido and Aeneas (1689) van Henry Purcell (1659-1695) (zie de tweede reeks, nr. 3). Daar verloopt niet de gezongen melodie chromatisch, maar in de instrumentale bas klinkt de ganse aria door de chromatisch dalende kwart, die dan ook bekend staat als de ‘lamentobas’.


Johann Sebastian Bach integreert die lamentobas toepasselijk in het beginkoor van zijn cantate Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen (BWV 12, 1714) - en niet toevallig neemt hij precies dit fragment over in zijn h-Moll-Messe (BWV 232, 1748/49) als onderdeel van het Credo op de woorden Crucifixus etiam pro nobis (‘Voor ons werd hij gekruisigd’). 


In de eerste maten van de Elegie opus 38 schrijft Grieg zelfs een dubbele dalende chromatische beweging: in de bovenstem (met een tussenliggende noot) en in de middenstem. Terzelfdertijd houdt de bas gedurende twee maten één toon aan, met als resultaat enkele dissonante akkoorden (vb. 1). Alles staat in het teken van het opwekken van een melancholische sfeer.

Vb. 1: Elegie, opus 38, nr. 6

Ook het begin van de Elegie opus 47 is gekenmerkt door die chromatische daling, nu in de linkerhand (met tussenliggende noten, met het oog op een interessantere melodie, maar waarin toch het lamentokarakter bewaard blijft) (vb. 2).

Vb. 2: Elegie, opus 47, nr. 7

De chromatiek domineert zelfs grote delen van de tweede elegie in de begeleidende baspartij, zodat het lamentokarakter sterk wordt geaccentueerd (vb. 3). 

Vb. 3: Elegie, opus 47, nr. 7

Wat de opbouw betreft volgt Grieg een eenvoudig patroon dat typisch is voor die populaire klavierstukjes, namelijk A B A B A, soms met een kleine variatie bij de herhalingen. Mooi in de Elegie opus 38 is dat de melodie (cantabile te spelen) van het B-gedeelte gebaseerd is op het begin, maar zonder de chromatiek (en verhuizend van de linker- naar de rechterhand). Opvallend is ook dat de melodie constant een dalende tendens vertoont. De dynamiek blijft beperkt tot piano en pianissimo met enkele lichte crescendo’s. In de Elegie opus 47 barst de emotie tweemaal uit op de passage crescendo e agitato, van piano tot fortissimo, maar al snel zwakt de dynamiek weer af tot piano.  Aan het slot is er een verstilling tot pianissimo. In de laatste maten noteert Grieg morendo (‘uitstervend’). 



Zoals Mendelssohn met zijn Lieder ohne Worte schiep Grieg met zijn Lyrische stukken een reeks werkjes die vaak, enigszins denigrerend, ‘salonstukjes’ worden genoemd. Beiden hadden niet de pretentie meesterwerken af te leveren, maar de pianisten – amateurs en professionelen – te voorzien van een verfijnd, zowel luchtig-dansant als intiem-melancholisch, repertoire voor de huiskamer en de concertzaal. Het moet niet altijd kreeft en kaviaar zijn ...  

 

Ignace Bossuyt 

 

Uitvoering: Opus 38, nr. 6 

https://www.youtube.com/watch?v=wZTjDeMDALI – Anna Nadyrian (live) - zie hierboven

https://www.youtube.com/watch?v=Af9R5nJ7r74 – Håkon Austbø (met partituur) 



Uitvoering: Opus 47, nr. 7 

https://www.youtube.com/watch?v=hB8-3hOFz-8 – Clark Bryan (live) 

https://www.youtube.com/watch?v=UdJpVp-FkBA – Håkon Austbø (met partituur) 




Partituren op www.imslp.org 

Chromatiek en melancholie bij Paul Sérusier  

De muziek in de twee Lyrische Stukken van Grieg deemstert langzaam weg. Wat overblijft is een gevoel van subtiele klankvariaties en zachte melancholie. 


De intimiteit van deze muziek sluit aan bij de zoektocht van sommige laat 19de -eeuwse schilders naar een nieuwe visie op wat schilderkunst kan betekenen. Immers, de weergave van een objectieve werkelijkheid zoals te zien bij het realisme, wordt door de vernieuwers in vraag gesteld. Zelfs de impressionistische visie blijft voor velen te oppervlakkig. Een schilderij hoeft niet meer een weergave te zijn van de werkelijkheid, maar kan ook beroep doen op de verbeelding en de gedachtenwereld van de kunstenaar: een invalshoek die na de romantiek wat op de achtergrond was geraakt door de opkomende industrialisatie en het realisme in de schilderkunst. Een nieuwe wereld van intuïtie en verbeelding tekent zich af en schilders maken dankbaar gebruik van de kracht van kleur om het karakter van het afgebeelde te vertolken.


De Franse schilder Maurice Denis (1870-1943) verwoordt het in 1890 met de toentertijd toch wel spraakmakende gedachte:  

Men moet bedenken dat een schilderij voordat het een strijdros, een naakte vrouw of een bepaalde gebeurtenis is, allereerst een plat vlak is dat in een bepaalde rangschikking met kleuren is bedekt. 


Vanuit deze visie komen we dicht bij het beeldend antwoord dat we op de muziek van Griegs Lyrische stukken willen geven. Welke werken in de schilderkunst dialogeren met de chromatiek  van de muziek en geven in subtiele kleurvariaties vorm aan het beeld?  We volgen het spoor van de Franse schilders Maurice Denis en Paul Sérusier (1863-1927).   


In het kielzog van Paul Gauguin (1848-1903) trekken beide kunstenaars regelmatig naar het Bretonse Pont-Aven. Vanaf 1860 vestigen meerdere schilders zich hier om in het idyllische landschap te werken en ideeën uit te wisselen. Ze ontmoeten elkaar in het Pension Gloanec en noemen zich vanaf 1886 De School van Pont-Aven. In dit landelijk dorp nemen de schilders, onder de leiding van Gauguin, de vrijheid om de schilderkunst een nieuwe impuls te geven. 


Zich terugtrekken uit de drukte van de stad om in een landelijke sfeer een nieuwe schilderkunst te ontwikkelen is een fenomeen dat we in de late 19de eeuw wel vaker zien gebeuren.  Denken we bijvoorbeeld maar aan de schilders van de Latemse School.


De kunstenaarskolonie in Pont-Aven is echter van korte duur en verdwijnt in 1890 samen met de afreis van Paul Gauguin naar Tahiti.  Eenmaal terug in Parijs noemen de Bretonse vernieuwers zich Les Nabis, verwijzend naar het Hebreeuwse Naabi wat profeet betekent. En zo zien ze zichzelf ook: de profeten van een nieuwe stijl. Gauguin blijft hun inspiratiebron (zie ook reeks I, dialoog 13), terwijl Maurice Denis met zijn hoger aangehaalde citaat zorgt voor de theoretische vertaling van hun nieuwe beeldtaal.  


Naast Maurice Denis is ook de Franse schilder Paul Sérusier een protagonist in De School van Pont-Aven. Hij wordt op 9 november 1863 in Parijs geboren en volgt na een succesrijke middelbare schoolcarrière een artistieke opleiding aan de befaamde Académie Julian.


De opleiding aan deze academie is voor de 19de eeuw op zijn minst vooruitstrevend te noemen, al was het maar omdat ook vrouwen in de lessen worden toegelaten, zij het dan wel in afzonderlijke klassen. Ze krijgen daarenboven de toelating om de opleiding 'tekenen en schilderen naar naaktmodel' te volgen, wat helemaal nieuw is voor deze tijd. Naast een professionele opleiding kunnen ook veelbelovende amateurs les volgen aan deze academie. Hier worden Sérusier en Maurice Denis bevriend en samen leggen ze de basis van de Nabis groep.

 

Landschap aan het Bois d’Amour of De Talisman (1888) 

In 1888 componeert Grieg de tweede Elegie die in deze dialoog is opgenomen. In datzelfde jaar schildert Paul Sérusier, tijdens zijn verblijf in Pont-Aven, het kleine tafereeltje Landschap aan het Bois d’Amour. Dit werk zullen zijn Nabis-vrienden als een houvast beschouwen in hun zoektocht naar een nieuwe schilderkunst.  


Het werkje is niet groter dan 27 x 21,5 cm. Langs de rivier de Aven schildert Sérusier de bomen van het bos op de achtergrond, het wandelpad en bomen langs de rivier, een huis op de einder.


Gauguin raadt Sérusier aan dat hij, wat hij ziet, zowel moet vereenvoudigen als intensiveren. Sérusier luistert naar de raad van Gauguin:

Hoe zie je de boom? Is hij echt groen? Gebruik dan groen, het mooiste groen op je palet. En die schaduw, nogal blauw? Wees niet bang om ze zo blauw mogelijk te schilderen. Elke kleur wordt intens, de compositie eenvoudig. 


Als zijn vrienden aan de Académie Julian dit kleinood bewonderen, zien ze hierin direct hun Talisman, vandaar de tweede titel van dit schilderijtje. Dit werk brengt datgene in de praktijk waarnaar ze op zoek zijn. Hier zien de Nabis hoe het schilderen van een landschap niet meer gebeurt vanuit een realistische weergave van de werkelijkheid, maar geschilderd wordt vanuit een verbeelding. Hulpmiddel hierbij is het intensifiëren van de kleuren en denken we hierbij terug aan het hoger aangehaalde citaat van Maurice Denis. Hoe klein het werk ook is, het wordt voor de schilderkunst de voorbode van abstractie. Het landschap verdwijnt in een verhaal van kleur en kleurschakeringen. 


Links: Paul Sérusier, 'Bretonnes, réunion dans le bois sacré',1891-1893, olieverf op canvas, 92 x 72 cm, private verzameling, foto via Comité Sérusier - Rechts: Paul Gauguin, 'Les arbres bleus (Vous y passerez, la belle)', 1888, 93 x 73 cm, Museum Odrupgaard, CC0 via Wikimedia Commons

Leermeester Gauguin en leerling Sérusier  brengen deze visie ook samen in Les arbres bleus (1888) en Bretonnes, réunion dans le bois sacré (1891-1893). In beide werken krijgen de kleuren een expressieve dimensie. Het landschap is enerzijds vertrouwd, maar de durf waarmee met kleuren wordt gewerkt, geeft het tegelijkertijd een onwerkelijke sfeer. Op dit punt komen schilderkunst en muziek samen: de chromatiek geeft muziek en schilderkunst een bijzondere toets.  


Eve Bretonne of ook gekend onder de titel Mélancolie (1890)


En dan is er nog de intieme melancholie die in de twee beluisterde Lyrische Stukken van Grieg de bovenhand neemt. Het is opnieuw Paul Sérusier die ons met zijn Eve Bretonne of ook gekend onder de titel Mélancolie (1891), een antwoord geeft.


Helemaal links op het schilderij zien we een naakte vrouw, gezeten op een rotsformatie. Ze zit er eenzaam met de rechterhand voor het gelaat. Zoals de titel aangeeft, lijkt ze overmand door melancholie of kunnen we in haar ook de berouwvolle Eva zien?  Religie speelt in de schilderkunst van zowel Sérusier als van Denis een belangrijke rol. Door de dubbele titel komt de dualiteit in de gedachtewereld van Sérusier duidelijk naar voor: enerzijds een nieuwe visie op kerkelijke kunst en anderzijds het belang van creatieve verbeelding.  


Het heuvelachtig landschap wordt rechts begrensd door de aanzet van een bos en links klaart de lucht op door een fel geel gekleurde wolkenpartij. De melancholie van Eva, een gevoel dat we ook in de sfeer van het fin-de-siècle terugvinden, wordt door de compositie van het eenzame landschap met krachtige kleurvlakken en kleurnuances ondersteund. 


De verstilling tot pianissimo aan het slot van Griegs Elegie opus 47 vindt hier een waardig antwoord.  


Jo Haerens