JEAN-PHILIPPE RAMEAU EN ODILON REDON BIJ DE CYCLOPEN

 19 november 2020

Cyclopen bij Homeros en Ovidius

In de Odyssee, het grandioze epos over de zwerftochten van Odysseus na de Trojaanse oorlog en zijn thuiskomst bij zijn trouw gebleven vrouw Penelope, geeft Homeros een prachtig voorbeeld van hoe een verhaal terzelfdertijd gruwelijk en grappig kan zijn. In de negende zang arriveert Odysseus met zijn getrouwen bij de Cyclopen, eenogige reuzen, “een overvloedig volk dat wetten mist… ze planten niet en ploegen niet, maar alles bij hen groeit zonder zaaien, zonder ploegen… Bij hen geen raadsvergadering, geen wetten, ze huizen op de toppen van een hoog gebergte in gewelfde grotten, elk spreekt recht over zijn vrouw en zijn kroost. Ze houden met elkaar geen rekening”. Merkwaardig volkje dus.

In een afgelegen grot woont de eenzame cycloop Polyfemos, die er zijn kudden hoedt. Dat hij een gewelddadig sujet is, blijkt al dadelijk wanneer hij Odysseus met zijn makkers in zijn grot ontdekt: als avondmaal verorbert hij twee van de ongelukkigen, ’s anderendaags als ontbijt nog een paar. Odysseus vindt het welletjes. Bekend om zijn listen bedenkt hij een plan. Het gezelschap slaagt er in Polyfemos dronken te voeren. Wanneer die naar Odysseus’ naam vraagt, krijgt hij als antwoord: “Mijn naam  is Niemand. Niemand werd ik steeds genoemd door vader, moeder, al mijn makkers”. Polyfemos, stomdronken, valt in slaap. Tijd om in te grijpen: Odysseus brandt met een paal met een scherpe punt Polyfemos’ ene oog uit. Wanneer de andere Cyclopen in de bergen rondom zijn gebrul horen en vragen wat er schort, roept Polyfemos: “Ach kameraden, Niemand wil met een list mijn dood”. Zijn volksgenoten lachen hem uit. Odysseus en zijn gezellen ontsnappen uit de grot, een nieuw avontuur tegemoet.

De Romeinse dichter Ovidius voert Polyfemos ten tonele in zijn verrukkelijke Metamorphosen. De cycloop is verliefd op de beeldschone nimf Galatea, die echter haar liefde wenst te delen met de herder Acis in plaats van met de monsterlijke eenogige. Wanneer de beide geliefden in elkaars armen rusten aan de kust, doodt Polyfemos Acis met een rotsblok. Op die plaats ontspringt een rivier, waar Acis voortaan als riviergod verblijft. Ovidius beschrijft met veel humor de verliefde Polyfemos:

Polyfemos zat zich op te doffen, hij wou graag
behagen, kamde met een hark zijn stugge haar en snoeide
zijn ruige baard met een soort kapmes, moest ook steeds opnieuw
zijn woeste kop in water spiegelen en fatsoeneren.
Zijn moordlust, wrede kracht en niet te stillen dorst naar bloed
verdwenen, schepen konden veilig landen en vertrekken (Boek XIII, 764-769).

Het verhaal van Acis en Galatea is in de muziek vooral bekend door twee dramatische composities van Georg Friedrich Haendel: één in het Italiaans (Aci, Galatea e Polifemo, 1708) en één in het Engels (Acis and Galataea, 1718).

 

Jean Philippe Rameau

Attribué_à_Joseph_Aved,_Portrait_de_Jean

Minder bekend is een knap stukje klavecimbelmuziek van Jean-Philippe Rameau: Les Cyclopes. Rameau (1683-1764), een tijdgenoot van Bach en Haendel, was de centrale figuur van het muziektheater in Frankrijk. In zijn dramatisch werk komen alle toen in Frankrijk populaire genres aan bod, met als hoogtepunt vijf ernstige opera’s (tragédies lyriques), waarin hij de traditie van Jean-Baptiste Lully (1632-1687), de hofcomponist van Lodewijk XIV en de schepper van de nationale Franse opera, voortzet en verder uitbouwt (onder meer door zijn geniale orkestratiekunst).

Zijn naam is vooral ook verbonden aan een reeks theoretische geschriften, vooral zijn grote synthese over de harmonieleer (Traité de l’harmonie réduite à ses principes naturels van 1722). In drie uitgaven, verschenen tussen 1706 en 1727, leverde hij ook een essentiële bijdrage tot de klavecimbelmuziek. Men kan voor die periode in Frankrijk terecht spreken van een ‘klavecimbelschool’, die vanaf het midden van de zeventiende eeuw tot bloei kwam.

 

De bekroning van dit rijke Franse repertoire is zonder twijfel de reeks van 27 ordres of suites van François Couperin (1668-1733), een bundeling van ca. 240 werkjes. Twee types muziek overheersen: dansen en genrestukken (muzikale portretten en programmatische werkjes die refereren aan een handeling, een gebeurtenis, een natuurtafereel of een natuurimitatie). Er ontwikkelden zich twee typische stilistische tendensen:

  • een Franse, met als één van de voornaamste kenmerken een overvloed aan versieringen

  • een Italiaanse, meer gericht op klaar omlijnde melodieën (zonder de ‘verdoezelende’ ornamenten) en vaak briljant-virtuoos spel (zoals in de klavecimbelsonates van Domenico Scarlatti).

 

Zowel bij Rameau als bij Couperin zijn beide stijlen goed vertegenwoordigd.

Les Cyclopes (1724)

Les Cyclopes is één van de 20 stukken uit de bundel Pièces de clavecin van 1724 (8 dansen en 12 genrestukken). Deze gevarieerde verzameling met zowel werkjes in de Franse als in de Italiaanse stijl wordt voorafgegaan door een uitvoerige – en interessante – inleiding met gedetailleerde instructies voor de ideale uitvoering. 

 

Les Cyclopes, dat stilistisch aanleunt bij Italië, is qua opbouw wel typisch Frans: en rondeau (‘als een rondedans’), dit betekent dat de beginmaten als een soort refrein enkele malen terugkeren, al dan niet gevarieerd. Rameau roept de eenogige reuzen op, ruwe kerels en menseneters, waarvan enkelen voor de oppergod Zeus de bliksems smeedden. Deze karakters smeken uiteraard om een vulkanische aanpak! Virtuositeit viert dan ook hoogtij in dit wervelende stuk: de muziek stort zich in grillige, onregelmatige golven op en neer over het klavier, ritmisch verbrokkeld en onvoorspelbaar. Er is weinig samenhang in de thematiek, Rameau springt van de hak op de tak. Hij geeft hier een voorsmaakje van de latere stormen en aardbevingen in zijn composities voor het theater (in de Franse barokopera is een orage bijna een noodzaak!).

Les Cyclopes is bovendien een uitstekend voorbeeld van Rameaus experimenten op het vlak van de uitvoering. In de theoretische inleiding van deze bundel bespreekt hij diverse soorten batteries (slagwerkimitaties), waarvan hij er twee in Les Cyclopes toepast.

  1. De eerste is een batterie waarbij dezelfde toets achtereenvolgens door de ene en door de andere hand wordt aangeslagen, zoals de opeenvolgende slagen met twee stokken op ene trom (“les mains font entr’elles le mouvement consécutif de deux baguettes d’un tambour”). In de mooi uitgegeven originele partituur zie je deze batterie in de maten 5-6 en 10-11.

  2. In een tweede soort batterie kruist de linkerhand de rechterhand om alternerend de laagste en de hoogste toon aan te slaan (“la main gauche passe pardessus la droite, pour toucher alternativement la basse et le dessus”). De noten van de rechterhand liggen er tussenin. Zie op de partituur de notenbalken vijf en zes en de eerste helft van zeven en acht.

 

Je hoort de agressieve cyclopen bliksems smeden!

Rameau vindt de batteries bovendien even charmant voor het oog als voor het oor (“... je puis dire en leur faveur que l’oeil y partage le plaisir qu’en reçoit l’oreille”).

 

Ook bij enkele tijdgenoten van Rameau komen gelijkaardige batteries voor: bij Johann Sebastian Bach in de snelle delen van zijn klavecimbelconcerto BWV 1052 en in een aantal sonates van Domenico Scarlatti. We zijn uiteraard nog veraf van de ‘slagwerktechnieken’ in het pianowerk van Béla Bartók (Allegro barbaro) en Serge Prokofiev (het Precipitato uit de Pianosonate nr. 7), maar dat Rameau met Les Cyclopes een verfijnd en aanstekelijk ‘experimenteel’ stukje klavecimbelmuziek schreef staat buiten kijf.

Ignace Bossuyt

Uitvoering 1: een opname van de (helaas al te vroeg overleden) Amerikaanse klavecinist Scott Ross (1951-1989) uit 1987. De partituur schuift mee. In 1971 won Ross de eerste prijs in de klavecimbelwedstrijd van het Festival van Vlaanderen in Brugge.

Uitvoering 2: live-uitvoering uit 2011 door Jory Vinikour

Rameau Cyclopes Partituur.jpg

Les Cyclopes, eerste bladzijde van de originele partituur uit 1724

 

Literatuur over Rameau: Ignace Bossuyt, Jean-Philippe Rameau 1683-1764. Een kennismaking, Leuven, Universitaire Pers,  2013, 252 p..

De citaten uit Homeros en Ovidius zijn overgenomen uit:

  • Homeros. Odyssee. Een zwerver komt thuis, vertaald door Patrick Lateur, Amsterdam, 2016

  • Ovidius. Metamorphosen, vertaald door M. d’Hane-Scheltema, Amsterdam, 1998.

Odilon Redon, De Cycloop (1898-1900)

We horen het in de muziek van Rameau: de cyclopen zijn geen doetjes en zo dreigend en stormachtig als de muziek klinkt, zo dreigend verschijnt op het schilderij van Odilon Redon de cycloop vanachter een kale, hoge berg. Hij torent boven alles uit en met zijn ene overheersend oog begluurt hij Galatea die langs de rotswand ligt te slapen. Redon lijkt in dit schilderij het verhaal te herleiden tot het ene cyclopenoog. Terwijl Galatea mee opgenomen wordt in de structuur en het lijnenspel van de rots, krijgt het cyclopenoog alle aandacht. Dit brengt me bij Leonardo Da Vinci die heel terecht schreef:

ogen zijn de spiegel van de ziel”.

Ook Odilon Redon weet dit en als we enkele andere werken van de schilder bekijken, blijkt dit heel duidelijk: ogen, open of gesloten, zijn voor de schilder essentieel. Ik denk hierbij aan De gevallen engel (1871) en De gesloten ogen (1890).  

Terug naar De Cycloop en even inzoomen op het oog, met in ons achterhoofd de woorden van Da Vinci. Zien we dan in de dreigende gestalte ook niet een weemoedige blik van een –weliswaar mythisch– individu wiens geliefde onbereikbaar blijft? De rotswand schermt haar af en ligt als een veilig omhulsel rond haar heen.

Het verhaal van de cycloop en Galatea kent op het einde van de 19de eeuw veel succes bij de schilders van het symbolisme. Deze strekking reageert op het “enkel oog zijn” van het impressionisme en laat zich vooral leiden door het onderbewuste, de fantasiewereld, sprookjes en mythen. Vaak raadselachtige beelden leiden de toeschouwer naar een innerlijke wereld waar emoties, dromen en driften heersen. Ieder geeft er echter een andere interpretatie aan en legt eigen accenten.

 

Wellicht kent Redon het werk Galatea van Gustave Moreau, enkele jaren eerder gemaakt (1880-1881). Mooi om te zien hoe beide schilders hetzelfde verhaal totaal anders weergeven. Moreau schenkt alle aandacht aan Galatea, Redon aan de cycloop.

Je hoorde wellicht de opmerkelijke “batteries” in de muziek van Rameau. Net zo kan je in het werk van Redon een “batteries” van kleuren terugvinden. De wijze waarop de schilder de rotswand met krachtige kleurentoetsen aanzet is meesterlijk. Ontelbare kleuren zijn in een losse toets aangebracht, een herinnering aan het impressionisme maar in de symbolistische context.

Redon zei over zichzelf: “ik ben geboren op een golf van geluid” (Confidences d’artistes, L’Art Moderne 14, 1894).  En nu komt alles samen. Redon is een veelzijdig man. Hij schildert niet alleen, hij speelt ook viool, piano en schrijft gedichten. De tweede viool speelt hij bij de concerten van zijn muzikale broer Ernest. Literatuur, muziek en beeldende kunst zijn verenigd in één kunstenaar.

De onstuitbare kracht van de klavecimbelmuziek bij Rameau en het alles dominerend oog van Redons cycloop: ze zijn aan elkaar gewaagd. 

 

Jo Haerens

Kunstontmoetingen is een niet-commercieel en educatief initiatief om in gezelschap van geïnteresseerde vrienden te genieten van kunst, muziek en architectuur via lezingen, cursussen, wandelingen of uitstappen.

  • Facebook

Volg ons op facebook

© 2021 Kunstontmoetingen