Gilles de Bins, Dueil angoisseux
Christine de Pisan, la Cité des Dames

10 juni 2021

Binchois en Dufay BnF 12476 98r detail B

Guillaume Dufay en Binchois, in Le champion des dames, een liefdesgedicht van Martin le Franc, geschreven voor Filips de Goede 
(Parijs, Bibliothèque nationale, fr. 12476, fol. 98r.)

Meester van de Cité des Dames detail.jpg

Miniatuur uit de XVe eeuw toegeschreven aan de meester van la Cité des Dames, Bibliothèque nationale de France, 1179, f.3r (Gallica-BNF)

Binchois,

Dueil angoisseux

 
Gilles de Bins, alias Binchois (ca.1400-1460) en het Bourgondische hof

Terwijl in het jaar 1419 een jonge organist in de kerk van St.Waudru in Mons de liturgische diensten met zijn spel opluisterde, vocht in Normandië een jonge Engelse legeraanvoerder tegen de Franse koning tijdens een van de talloze krijgsverrichtingen van de Honderdjarige Oorlog. De organist was Gilles de Bins, beter bekend als Binchois – de krijger was William de la Pole, graaf van Suffolk.

 

Beiden waren nog jong: Binchois werd geboren omstreeks het jaar 1400, de la Pole in 1396. Hun levenspaden kruisten elkaar toen Binchois in de jaren ‘20 enige tijd in zijn dienst trad, wellicht niet als soldaat, maar als schildknaap en musicus. Het is bekend dat Binchois in 1424 tijdens de Engelse bezetting van Parijs een (verloren) Frans chanson voor de la Pole componeerde. De graaf was niet alleen een muziekliefhebber, maar hij bewonderde ook de Franse poëzie, onder meer die van Charles d’Orléans die tussen 1415 en 1440 gevangene van de Engelsen was.

 

Rond 1429, toen de Bourgondische hertog Filips de Goede (1396-1467) Henegouwen verwierf, trad Binchois toe tot diens muzikale hofkapel. 

 

Dat de hertogen van Bourgondië kunstlievend waren, is genoegzaam bekend – en ook  dat zij hun musici hoofdzakelijk rekruteerden in de Lage Landen, bij voorkeur uit de koorscholen verbonden aan de kerken en kathedralen waar jonge knaapjes vanaf hun zevende jaar werden opgeleid in zang en compositie. De faam van deze musici steeg in die mate dat velen onder hen tot op het einde van de zestiende eeuw de meest prestigieuze muzikale functies uitoefenden, overwegend in het buitenland, bij voorkeur in het Duitse taalgebied, Italië, Frankrijk en Spanje. Er woedde zelfs een hevige concurrentiestrijd tussen de hoven en de kerken om de besten aan te werven.

Beroemd is de  aanwerving in 1502 van Josquin Desprez als kapelmeester door Ercole I d’Este, hertog van Ferrara. Van diens hoveling Gian de Artiganova is een brief bewaard waarin hij zijn vorst het volgende advies geeft:

Naar mijn menig is hij [Heinrich Isaac] zeer geschikt om Uwe Excellentie te dienen, veel meer dan Josquin omdat hij goed met zijn collega’s kan opschieten en vaker nieuwe werken zal schrijven. Het is waar dat Josquin beter componeert, maar hij doet het alleen wanneer hij er zin in heeft, niet wanneer iemand anders dat wenst, en hij verlangt 200 dukaten als salaris terwijl Isaac het voor 120 zal aannemen. Uwe Excellentie moge naar goeddunken beslissen.

Uwe Excellentie besliste inderdaad naar goeddunken: hij koos voor Josquin! Als hofcomponist van de Habsburgse keizer Maximiliaan I bekleedde Isaac een van de meest gegeerde muzikale posten in West-Europa. Josquin was toen wellicht verbonden aan het hof van de Franse koning Lodewijk XII. Als componisten behoorden beiden tot de absolute top.


Terug naar Bourgondië – of beter naar de Zuidelijke Nederlanden, want de hertogen verbleven zelden in hun hoofdstad Dijon, maar des te meer in enkele plaatsen in hun veroverde gebieden: Rijsel, Atrecht (Arras), Brugge en vanaf 1430 ook Brussel. De leden van hun hofkapel, die de dagelijkse liturgische diensten muzikaal opluisterden, waren overwegend geestelijken, zij het niet allen tot priester gewijde. Binchois was geen priester, maar subdiaken, een van de lagere wijdingen. In een eigentijds manuscript staat hij afgebeeld samen met zijn tijdgenoot Guillaume Dufay (1397-1474), een vaak vertoonde voorstelling van de twee belangrijkste componisten uit de eerste generatie van de ‘Franco-Vlaamse school’.

Binchois staat er afgebeeld met een harp, Dufay met een orgel. Dufay was niet verbonden aan het hof, maar onderhield er wel contact mee. Binchois en Dufay waren in 1449 samen in Mons (Bergen) voor een bijeenkomst in St. Waudru. In 1452 trok Binchois zich terug in Soignies, waar hij proost werd van St. Vincent. Hij overleed er op 20 september 1460.

Dat Binchois ook in dienst was geweest van een Engelse graaf, hangt samen met het feit dat de Bourgondische hertogen aan de zijde van de Engelsen tegen de Franse koning streden.  Dit verklaart ook de aanwezigheid van Engelse musici op het vasteland, die in het gevolg van de krijgsheren zorgden voor hoogstaand vertier. De bekendste is John Dunstaple (ook Dunstable, ca. 1390-1453), die in Frankrijk in dienst stond van Jan van Lancaster, de eerste hertog van Bedford (1389-1435). Ook aan het Boergondische hof waren Engelse zangers en componisten actief, zoals Robert Morton (ca. 1430 - 1479 of later). Van hem zijn een tiental Franse chansons bewaard gebleven.

 

Het Franse chanson

Het polyfone lied op Franse tekst kende in de 14de eeuw een eerste bloeiperiode met het werk van de dichter-componist Guillaume de Machaut (+1377). In de 15de eeuw was het genre erg geliefd aan het Bourgondische hof. Dit chansontype had enkele zeer typische kenmerken zodat het algemeen bekend werd als het ‘Bourgondische chanson’. De algemene karakteristieken zijn te omschrijven als volgt:

  • Het is driestemmig (soms vierstemmig), met een melodisch overheersende bovenstem en twee meer begeleidende onderstemmen die iets trager verlopen en die vaak instrumentaal werden uitgevoerd (eventueel ook gezongen op een klinker of, indien de tekstplaatsing dit toeliet, op de woorden). In de bewaarde handschriften is vaak alleen de bovenstem voorzien van de tekst.  

  • De taal is de hoofse poëzie, veeleer geleerd en soms gekunsteld, en structureel opgebouwd  volgens drie overgeleverde strenge vormen, de zogenaamde formes fixes: ballade, rondeau en virelai.

De naam en de faam van Binchois en Dufay zijn grotendeels verbonden aan hun verfijnde Franse chansons.

Binchois en het chanson

Elegante en verfijnde juweeltjes, sieraden die het glansrijkste hof van West-Europa waardig opsmukten.

 

Dit is het terechte oordeel van de Amerikaanse musicoloog Howard Mayer Brown, een eminente kenner van de Renaissancepolyfonie, over de Franse chansons van Binchois.

Het zijn inderdaad subtiele meesterwerkjes, intieme miniatuurkunst, niet spectaculair, maar onweerstaanbaar door hun charme en hun vaak melancholische ondertoon. Binchois ontpopt zich vooral als een begenadigd melodicus, die met een minimum aan middelen het chanson omtovert tot een glinsterende parel.


Wat vooral opvalt in de muziek uit het Bourgondische tijdperk is de welluidendheid, waar de dissonantie wel een plaats heeft, maar toch niet meer zo schrijnend aanwezig is zoals in de chansons van de Machaut. Tegenover de 14de eeuw is ook de melodie lyrischer geworden, minder hoekig, meer gericht op pure cantabiliteit. Wellicht heeft deze ontwikkeling naar klankschoonheid te maken met de invloed van de Engelse muziek, die de ‘zachte harmonieën’ prefereerde boven de ‘harde’ klanken eigen aan de continentale muziek. De melodisch-lyrische ontplooiing is mogelijk te verklaren door het contact met de Italiaanse muziek, waar veel polyfonisten enige tijd verbleven. Voor de Italiaanse polyfonie is de anachronistische term belcanto  - ‘mooie zang’ - hier wel van toepassing.

Christine de Pisan orig detail txt.jpg
Binchois, Dueil angoisseux

Ongetwijfeld een van de mooiste chansons van Binchois is Dueil angoisseux. De tekst is ontleend aan een gedicht dat de Franse dichteres Christine de Pisan schreef naar aanleiding van het overlijden van haar echtgenoot. De Pisan, die in 1364 of 1365 geboren werd in Venetië, groeide op in Parijs waar haar vader was aangesteld als lijfarts en astroloog aan het hof van koning Karel V van Frankrijk. Op vijftienjarige leeftijd werd zij uitgehuwelijkt aan een edelman van het hof. Tien jaar later, in 1389, werd zij weduwe nadat haar man was gestorven tijdens een pestepidemie. Voortaan wijdde ze zich aan het schrijven, eerst ballades als aandenken aan haar echtgenoot, later uitgebreide werken, in opdracht van de Franse koning en van de Bourgondische hertog Filips de Stoute (1342-1404). Zij overleed omstreeks 1430 in het klooster in Poissy waar zij vanaf ca. 1415 verbleef. Haar belangrijkste werk is het Livre de la Cité des Dames uit 1405, waarin zij de verdediging opneemt van de vrouw.

Voor welke gelegenheid Binchois dit gedicht op muziek heeft gezet is niet bekend. Er zijn wel enkele plausibele hypotheses, zoals het overlijden in 1432 van Anna van Bretagne, de dochter van Jan zonder Vrees en de echtgenote van de al genoemde Jan van Lancaster. Dit politieke, maar naar verluidt gelukkige huwelijk had het verbond tussen de Engelsen en de Bourgondiërs in hun strijd tegen de Franse koning bezegeld. Ook het overlijden van de dichteres Christine de Pisan zelf in 1430 kan Binchois hebben geïnspireerd. Ongetwijfeld maakte hij aan het hof kennis met haar poëzie, die er in ere werd gehouden. Het chanson weerklonk wellicht op meerdere gelijkaardige gebeurtenissen. Er zijn namelijk verschillende versies van het werk bewaard, zowel voor vier als voor drie stemmen.

De ballade is driestrofig met aan het slot van elke strofe een refreinvers (Et si ne puis ne garir ne morir) en ter afsluiting van het gedicht een envoi of ‘opdracht’, die doorgaans begint met ‘Prince(s’) of ‘Princesse(s)’, de persoon of personen aan wie het gedicht is gericht.

Het gedicht volgt de opbouw en het rijmschema van de ballade ca. 1400: er zijn acht verzen per strofe en drie rijmen die in elke strofe identiek zijn (a b a b b c b c, de envoi neemt de rijmen b en c over: b c b c).

 

De muziek van de ballade (en van de formes fixes in het algemeen) volgt strikt de versopbouw: de muziek van de verzen 1 en 2 wordt herhaald op de verzen 3 en 4. Op het einde van vers 4 volgt ter afsluiting van dit eerste deel een melismatische uitbreiding. De verzen 5 tot 8 vormen het tweede deel, waarvan de muziek ook dient voor de envoi.


De melodische ontplooiing is nergens gekunsteld, maar vloeit spontaan voort uit de tekstvoordracht, in kleine intervallen. De inzet trekt onmiddellijk de aandacht op de beginwoorden Dueil angoisseux: twee stijgende tertsen en een dalende kwint in een gedragen tempo dat daarna geleidelijk versnelt door kleinere notenwaarden. Het werk houdt over de hele lijn een melancholische toon aan, die nergens verstoord of onderbroken wordt.

Binchois inzet Deuil angoisseux.jpg

Met deze  prachtige complainte of klaagzang  legde Binchois de basis voor het genre van het lamento, dat tot in de barok veel navolging vond. Na zijn dood werd Binchois zelf geëerd met een klaaglied van Johannes Ockeghem, Mort, tu as navré.  Op zijn beurt werd Ockeghem  (+1497) herdacht door Josquin in de treurzang Nymphes des bois, die in een handschrift als teken van rouw volledig in zwarte noten werd  genoteerd. Ook Josquin inspireerde na zijn dood in 1521 enkele tijdgenoten, evenals Adriaan Willaert die in 1562 in Venetië overleed.

Het genre van het lamento in zijn diverse vocale en in de barok ook instrumentale varianten – complainte, plainte, tombeau, lamentation – behoort tot de meest hoogstaande repertoires uit de vijftiende tot de achttiende eeuw, met als hoogtepunt de meesterlijke Trauerode die Johann Sebastian Bach in 1727 componeerde na het overlijden van Christiane Eberhardine, de echtgenote van de als August de Sterke bekende Saksische keurvorst (Laß, Fürstin, laß nog einen Strahl, BWV 198).

 

Ignace Bossuyt

 

Uitvoering:

  • van de volledige ballade, live-uitvoering, vocaal, met Franse en Engelse ondertiteling - Blue Heron

- van de eerste strofe, live-uitvoering, gemengd vocaal-instrumentaal -  Live Tenet Vocal Artists

Partituur :

https://imslp.org/wiki/16_Secular_Songs_(Binchois%2C_Gilles) -  p. 8 in een uitgave van 16 chansons van Binchois (een drie-stemmige versie, één toon hoger getransponeerd: van f naar g).

Christine de Pisan,
la Cité des Dames

Je las het reeds bij Gilles Binchois: de vader van Christine de Pisan (1364/1365-1430) is naast lijfarts van de Franse Karel V ook astroloog. Geen fait divers zo zou blijken. Wanneer de man, hopend op een zoon, zijn pasgeboren dochter in de armen houdt, trekt hij haar horoscoop: het meisje zou zich richten op studie zo blijkt uit de voorspelling. De vader beslist haar dezelfde kansen als een zoon te geven. Hij zorgt voor haar intellectuele vorming en tot haar 15 jaar ziet Christine haar leven -zoals ze achteraf zelf beschrijft- als une joyeuse, plantureuse et paisible vie.

Amper 25 jaar oud blijft ze, na 10 jaar huwelijk, als weduwe achter en beslist om met schrijven in het onderhoud van haar gezin te voorzien. De Dueil angoisseux die we zonet hoorden, getuigt van haar poëtische pen in zware tijden. In de periode 1405 - 1407 schrijft Christine twee opmerkelijke prozawerken: Le Livre de la Cité des Dames en het vervolg Le Livre des Trois Vertus.

Le livre de la Cité des Dames (1)

Christine heeft het als jonge weduwe reeds ondervonden en leest het in tal van teksten : gelijkheid tussen mannen en vrouwen is ver te zoeken. Meer zelfs, vrouwenhaat is zeker niet onbestaand. Haar woorden liegen er niet om:

Helas! Ou donc trouveront resconfort

Povres vesves, de leurs biens despouilliees?

Les nobles gens n’en ont nulle pitié,

Aussi n’ont clercs, li greigneur, ni le mendre ;

Ni les princes ne les daignent entendre.

Noch hooggeplaatsten, noch de gewone man in de straat heeft medelijden met arme weduwen. Waar kunnen ze vertroosting vinden?

Om tegen de trend in te gaan neemt Christine eens te meer de pen ter hand. Ze zou een boek schrijven voor vrouwen en over de kracht van vrouwen. Langs de omweg van een allegorie schetst ze het beeld van een stad waar vrouwen vrijuit en met dezelfde rechten en kansen als mannen zouden kunnen leven.

Op de manier, zoals ik dat gewend ben te doen en zoals ik ook mijn dagen doorbreng, dat is met het beoefenen van de studie der letteren, zo zat ik op een dag in mijn studeervertrek omringd door vele boeken over uiteenlopende onderwerpen, terwijl mijn geest op dat moment een beetje vermoeid was door het opnemen van moeilijke uitspraken van verschillende schrijvers lang geleden door mij bestudeerd. ….

 

Bedroefd door alle zware gedachten heeft Christine de ogen vol tranen. Er komt echter een onverwachte lichtstraal haar studeerkamer binnen en in het licht ziet ze drie gekroonde dames: Vrouwe Rede, Vrouwe Rechtvaardigheid en Vrouwe Recht. Van deze dames krijgt ze de opdracht een stad te bouwen waar vrouwen veilig kunnen wonen en beschermd zullen zijn tegen valse aantijgingen. In een gesprek met de drie vrouwen worden één voor één vooroordelen uit de weg geruimd.

De miniatuur door de Meester van de Cité des Dames

Rond 1400 is in Parijs een Vlaamse boekverluchter aan het werk, bekend geworden onder de naam van de Meester van de Cité des Dames. Wellicht duidt de naam op een associatie van verluchters, werkzaam in de jaren 1400-1420 in Parijs. Ze zijn bekend voor de verluchting van wereldse teksten. Door zijn bekendheid in de Parijse wereld veronderstelt men dat precies dit atelier de opdracht kreeg van Christine de Pisan haar Cité des Dames te verluchten.

Op de hier voorgestelde miniatuur staan de protagonisten uit het boek afgebeeld en zien we tegelijkertijd hoe Christine de hoofdopdracht die ze van de drie vrouwen krijgt, aanvat.

Christine de Pisan Cite des Dames 2 deta

Links vooraan op de miniatuur opent Christine een boek en beluistert de boodschap van de drie vrouwen. Elk van hen heeft een eigen attribuut mee dat ze ons duidt.

  • De vrouw achteraan is de Rede met de spiegel:

Omdat ik duidelijk moet maken en aan iedereen, man of vrouw, laten zien, nauwgezet en overeenkomstig de werkelijkheid, wat zijn eigen zwakheden en gebreken zijn, daarom zie je, dat ik in plaats van een scepter een glanzende spiegel in mijn rechterhand draag.

  • De middelste vrouw is de Rechtvaardigheid met een glanzende liniaal:

De glanzende liniaal, die je in plaats van een scepter in de rechterhand ziet houden, is de rechte lijn die het recht van het onrecht scheidt en het verschil aantoont tussen goed en kwaad: die haar volgt dwaalt niet.

 

  • De derde vrouw ten slotte is het Recht met een beker in de hand:

Deze beker van zuiver goud, die je mij in de rechterhand ziet houden, gemaakt naar de ruime maat, gaf god, mijn vader, mij en hij dient om aan ieder het deel te geven, dat hem toekomt op grond van zijn verdiensten.

 

Christine de Pisan is een ware onderzoekster en bevraagt in haar boek de drie allegorische figuren. Stuk voor stuk nemen de dames de vooroordelen over het “zwakke geslacht” weg. Met tal van voorbeelden tonen ze het levensverhaal van krachtige vrouwen aan en elk verhaal is een bouwsteen voor de nieuwe stad.

Rechts op de miniatuur neemt Christine het truweel ter hand en metst met Vrouwe Recht de muren van de nieuwe stad.

Meester van de Cité des Dames detail 2.j

Op het einde van haar boek spreekt Christine de Pisan de vrouwen toe. De stad is afgewerkt en één ieder kan er een plaats vinden want:  zij is gebouwd  en gesticht voor alle achtenswaardige vrouwen.

Jo Haerens

1) Bron: Het Boek van de Stad der Vrouwen; vertaald uit het Middel-Frans en ingeleid door Tine Ponfoort, 1984 (uitgeverij Sara)

 
 
 
 
 
 

De tekst luidt als volgt:

(Strofe 1)

(a) Dueil angoisseus, rage desmesurée,

(b) grief desespoir plein de forcenement.

(a) languir sanz fin et vie maleürée,

(b) pleine de plour, d’angoisse et de tourment.

(b) Cuer doloreux qui vit obscurement,

(c) tenebreux corps sur le point de partir,

(b) ay sanz cesser, continuellement;

(c) et si ne puis ne garir ne morir.

 

(Strofe 2)

Fierté, durté de joye separée,

triste penser, parfont gemissement.

angoisse grant en las cuer enserrée,

courroux amer porté couvertement.

Morne maintien sanz resjoïssement,

espoir dolent qui tous biens fait tarir,

si sont en moy sanz partir nullement;

et si ne puis ne garir ne morir.

 

(Strofe 3)

Soussi, anuy qui tousjours a durée,

aspre veillier, tressaillir en dorment.

Labour en vain, à chiere alangourée,

en grief travail infortunéement.

Et tout le mal, qu’on puet entierement,

dire et penser sanz espoir de garir,

me tourmentent desmesuréement;

et si ne puis ne garir ne morir.

 

(Envoi)

(b) Princes, priez à Dieu que bien briefment

(c) me doint la mort, s’autrement secourir

(b) ne veult le mal ou languis durement;

(c) et si ne puis ne garir ne morir.

 

(Strofe 1)

Beklemmende rouw, tomeloze woede,

diepe, uitzinnige wanhoop,

eindeloze neerslachtigheid en ongelukkig bestaan,

overladen met tranen, angst en pijn.

Smartelijk hart door iedereen vergeten,

droefgeestig lichaam, vertrekkensklaar,

ach, altijd maar door en zonder ophouden

ik speel het niet klaar om te leven noch om te sterven.

 

(Strofe 2)

Waardigheid, de hardvochtigheid van een ongrijpbare

vreugde, droeve gedachtegang, intens gekerm,

grote angst ingesloten in een uitgeput hart,

bittere, verholen gramschap.

Triest voorkomen zonder vreugde,

ijdele hoop, verwachting die al het mooie

drooglegt, dat houdt me onafgebroken bezig

en ik kom er niet toe te leven, noch te sterven.

 

(Strofe 3)

Bekommernis, kwelling die er altijd is,

bitter ontwaken, huiveren in de slaap.

Vergeefs gezwoeg, labeur met lome blik,

terneergeslagen door het zware werk.

Al het erbarmelijke dat men in woorden kan

vatten en bedenken, zonder uitzicht op verbetering,

dat obsedeert me bovenmatig

en ik slaag er niet in te leven, noch te sterven.

 

(Envoi)

Prinsen, bidt God dat Hij mij weldra

de dood schenkt als Hij op geen andere wijze van plan

is me te ondersteunen bij het verdriet dat ik doormaak.

Het lukt me niet te leven, noch te sterven.

(Vertaling: Theo Venckeleer, romanist en  mediëvist, hoogleraar aan de Universiteit van Antwerpen die in 2019 overleed).