Magnificat van Rosenmüller

Visitatie bij Giotto, della Robbia, da Pontormo en Viola 

25 februari 2021
Pontorno detail Visitatie lMagnificat Ro

Johann Rosenmüller: Magnificat


Maria’s lofzang

Tot de populairste composities uit de barokperiode behoort het Magnificat van Johann Sebastian Bach, een van zijn weinige werken op Latijnse tekst. Hij componeerde het naar alle waarschijnlijkheid voor het feest van Onze-Lieve-Vrouw-Visitatie op 2 juli, kort na zijn aanstelling als Thomascantor in Leipzig in mei van het jaar 1723. Het feest van de Visitatie herdenkt het bezoek dat de zwangere Maria bracht aan haar oudere nicht Elisabeth, die zwanger was van Johannes de Doper. Het verhaal is ons overgeleverd door  de evangelist Lucas (hoofdstuk 1, 39-56). De groet van Elisabeth beantwoordde Maria met een loflied, bekend als het Magnificat, naar het aanvangswoord van de Latijnse versie.

(v. 46) Magnificat anima mea Dominum
(v. 47) Et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo.
(v. 48) Quia respexit humilitatem ancillæ suæ:
ecce enim ex hoc beatam me dicent omnes generationes.
(v. 49) Quia fecit mihi magna qui potens est, et sanctum nomen eius.
(v. 50) Et misericordia eius a progenie in progenies timentibus eum. 
(v. 51) Fecit potentiam in bracchio suo, dispersit superbos mente cordis sui.
(v. 52) Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles.
(v. 53) Esurientes implevit bonis et divites dimisit inanes,
(v. 54) Suscepit Israel puerum suum recordatus misericordiæ suæ
(v. 55) Sicut locutus est ad patres nostros, Abraham et semini eius in sæcula. 

(v. 46) Mijn ziel prijst en looft de Heer,

(v. 47) mijn hart juicht om God, mijn redder:

(v. 48) hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.

Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,

(v. 49) ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn naam.

(v. 50) Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht, voor al wie hem vereert.

(v. 51) Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen.

(v. 52) Heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien.

(v. 53) Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.

(v. 54) Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, hij herinnert zich zijn barmhartigheid,

(v. 55) zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd, jegens Abraham en zijn nageslacht,

tot in eeuwigheid.

(beweeg over de Latijnse tekst voor een vertaling in het Nederlands)

Magnificat: van sober eenstemmig gregoriaans tot feestelijke barok

Zoals andere genres van de liturgisch gebonden muziek (mis, hymne) onderging het Magnificat een interessante evolutie, waarbij in elke fase de nieuwste stilistische trends doordrongen. Dit ging echter trager en vaak minder drastisch dan bij vrij gecomponeerde werken die geen band hadden met het gregoriaans, zoals Latijnse motetten op verhalende Bijbelse teksten. 


Tot ca. 1400 werd het Magnificat eenstemmig gregoriaans gezongen op een reciteerformule, met als basis een herhaalde toon, die voor elk vers gold. Begin, midden en einde van elk vers zijn gemarkeerd door een melodische afwijking (Voorbeeld hieronder).

Maria’s lofzang diende ter afsluiting van de vespers, de liturgische avonddienst. Als hoogtepunt van deze liturgie kreeg het Magnificat vanaf de vijftiende eeuw een sterkere nadruk door de invoering van de polyfonie. De band met het gregoriaans bleef echter dominant aanwezig doordat de reciteerformule als basis diende voor de meerstemmige zetting, een traditie die tot in de achttiende eeuw bleef nawerken. 

 

In de loop van de vijftiende en de zestiende eeuw evolueerde het Magnificat van een eenvoudig gedeclameerd driestemmig werk tot een complexe polyfone constructie voor vier tot acht zelfstandige, contrapuntische stemmen, die vaak met elkaar gerelateerd waren door het gebruik van imitatie, zoals in het eigentijdse motet (cf. het besproken motet in een ander muziekverhaal in deze reeks: Vox in Rama van Giaches de Wert). De gregoriaanse reciteertoon bleef wel nog een vast ingrediënt, zij het vaak in een gevarieerde vorm. De liturgische functie van het Magnificat bepaalde echter tot in de zeventiende eeuw een specifieke opbouw als alternatimcompositie, in afwisseling tussen gregoriaans en polyfonie: meestal werden alleen de pare verzen polyfoon getoonzet, terwijl de onpare in het gregoriaans uitgevoerd bleven. De polyfonie begon dus pas met het tweede vers, Et exsultavit spiritus meus

De glansperiode van het polyfone Magnificat zijn de vijftiende en zestiende eeuw: vanaf Guillaume Dufay tot Orlandus Lassus loopt het aantal composities op tot ca. tweeduizend. De meer dan honderd Magnificats van Lassus vormen de bekroning van het genre. Ook in het oerkatholieke Spanje was het Magnificat zeer geliefd, met als centrale figuren Cristobal de Morales en Tomas Luis da Victoria. De Magnificats van Morales werden nog in de achttiende eeuw gekopieerd door Jan Dismas Zelenka, componist aan het Saksische hof in Dresden. In Rome, het bolwerk van de Contrareformatie, spande Giovanni Pierluigi da Palestrina de kroon met meer dan dertig Magnificats. 
(Voorbeeld hieronder: Magnificat van Morales).

Ook de protestantse kerk nam het Magnificat over, in het Latijn en in de Duitse versie van Luther (Meine Seele erhebt den Herren). Zo componeerde Heinrich Schütz drie Duitse en één Latijns Magnificat.

 

Met Schütz en zijn tijdgenoten belanden we in de barok, waar ook in het Magnificat een aantal ingrijpende stilistische vernieuwingen binnendrongen. 

  • Vooreerst werd de puur vocale bezetting uitgebreid met zelfstandige instrumentale partijen, wat resulteerde in de typisch vroeg-barokke concerterende stijl: stemmen en instrumenten zijn betrokken in een constante dialoog, waarbij de instrumenten niet alleen met de stemmen samenspeelden, maar ook zorgden voor eigen voor-, tussen- en naspelen.

  • Verder werd de drang naar expliciete tekstexpressie, die al in de zestiende eeuw opgang maakte, geïntensifieerd. De inhoudelijk rijke en gevarieerde tekst van het Magnificat gaf hier ruimschoots gelegenheid toe. Die drang naar tekstexpressie leidde ertoe dat de alternatimpraktijk en de ontlening van het gregoriaans als een hinderpaal werd ervaren, zodat die twee basisprincipes geleidelijk verdwenen, al zinderden ze bij een aantal componisten nog lang na. 

  • Tenslotte kwam het Magnificat in het vaarwater van de meerdelige cantate, waarbij elk vers een zelfstandig deel werd, dat zich telkens onderscheidde door de bezetting (solistisch – al dan niet virtuoos - of met koor, met wisselende toevoeging van instrumenten), het metrum (binair of ternair), het tempo (van traag tot snel) en textuur (meer contrapuntisch of meer akkoordisch-declamatorisch). Zelfs binnen een vers werden er soms contrasten ingebouwd, meestal geïnspireerd door de tekst.

Bovendien werd de bezetting vaak nog uitgebreid, vooral onder invloed van de Venetiaanse meerkorigheid, met als boegbeeld Giovanni Gabrieli, die als organist en componist verbonden was aan de San Marco-basilica.  Van zijn zeven Magnificats is er een voor drieëndertig stemmen, verdeeld over zeven vocale en instrumentale ‘koren’.

 

Gabrieli overleed in 1612. Twee jaar voordien was in Venetië van de hand van Claudio Monteverdi  een bundel religieuze muziek verschenen die bekend is als de ‘Mariavespers’. Monteverdi was toen nog verbonden aan het hof van de Gonzaga’s in Mantua. In 1613 werd hij aangesteld als kapelmeester van San Marco. In de Mariavespers zijn twee Magnificats opgenomen, een klein voor zes stemmen en orgel en een groot, met zeven vocale partijen en zes instrumenten (strijkers en blazers).

 

Dat tweede, typisch vroegbarokke concerterende Magnificat is wellicht het beroemdste uit het begin van de zeventiende eeuw. Monteverdi realiseert  er een verbluffende synthese tussen oud en nieuw: met behoud van de gregoriaanse melodie die in elk deel opvallend duidelijk aanwezig blijft, componeert hij een extreem modern werk met virtuoze soli en concerterende instrumentale partijen. Elk deel is een zelfstandige compositie in een andere bezetting. Bij de moderne concerterende aanpak sluit een Magnificat voor achttien vocale en instrumentale partijen aan van Johann Rosenmüller, een zeventiende-eeuwse Duitse componist die aan een herwaardering toe is.

Johann Rosenmüller (ca. 1619-1684)

Met Rosenmüller verwijlen we zowel in het Venetië van Monteverdi als in het Leipzig van Johann Sebastian Bach. Hij was afkomstig uit Oelsnitz, iets ten zuiden van de stad Zwickau.

 

Na zijn opleiding in zijn geboortestad ging hij in 1640 studeren aan de theologische faculteit in Leipzig. Hij schoolde zich vermoedelijk verder in de muziek bij de Thomascantor Tobias Michael, die hij vanaf 1642 assisteerde bij het muziekonderricht van de koorknapen. In 1650 werd hij aangesteld tot eerste assistent en een jaar later ook als organist van de Nikolaikirche. Het stadsbestuur beloofde hem in 1653 de opvolging als Thomascantor, maar een rechtszaak in 1655 strooide roet in het eten. 1655 was voor Johann Rosenmüller een rampjaar: verdacht van homoseksuele praktijken werd hij samen met een aantal koorknapen van de Thomasschule in Leipzig gevangengenomen.

 

Hij slaagde er echter in te ontsnappen en via Hamburg vluchtte hij naar Venetië, waar hij in 1657 of 1658 als trombonist in de muziekkapel van San Marco werd opgenomen. Venetië bleef zijn nieuwe thuishaven tot het begin van de jaren ’80. Hij was er ook enkele jaren actief als componist aan de Ospedale della Pietà (1678-1682), die later vooral faam verwierf door de activiteiten van Antonio Vivaldi (1678-1741). In 1682 of 1683 keerde Rosenmüller naar Duitsland terug. Hij was nog korte tijd kapelmeester aan het hof in Wolfenbüttel


Al tijdens zijn verblijf in Leipzig tussen 1640 en 1655 ontplooide Rosenmüller een opmerkelijke compositorische activiteit. Vooral die vroege werken kenden in Duitsland een zo ruime verspreiding, dat hij kan beschouwd worden als de invloedrijkste Duitse componist van geestelijke muziek tussen Schütz en Bach.

  • In 1648 en 1652 verschenen in Leipzig twee bundels Latijnse en Duitse concerterende motetten voor één tot vijf stemmen, instrumenten en basso continuo (Kern-Sprüche en Andere Kern-Sprüche), die in het protestantse deel van Duitsland nagenoeg overal tot het vaste repertoire behoorden.

  • Acht vijfstemmige begrafenisgezangen werden tussen 1649 en 1654 apart uitgegeven. Het eerste, het intens mooie Welt ade, ich bin dein müde, uit 1649, ontleende Bach in 1726 als slotdeel van zijn cantate Wer weiß, wie nahe mir mein Ende (BWV 27).

  • Uit 1645 en 1654 dateren twee bundels instrumentale muziek, meestal dansen, ter ontspanning binnen de kring van de universiteit.

Meer dan dertig religieuze composities op Duitse teksten, vermoedelijk alle uit de Leipziger periode, bleven in handschrift bewaard. In Venetië ontstonden uitsluitend Latijnse werken, overwegend psalmzettingen, samen met twee Magnificats, voor de vesperliturgie. De bezetting varieert van één stem met twee violen en basso continuo tot grootse meerkorige werken. 

Magnificat voor achttien stemmen

Dat dit prachtige werk van Rosenmüller (als een unicum) bewaard is gebleven, hebben we te danken aan Georg Österreich (1664-1735), die tijdens de jaren dat hij kapelmeester was in Gottorf (Sleeswijk-Holstein) een groot aantal werken van Duitse en Italiaanse componisten kopieerde. Meer dan 1800 ervan bleven bewaard, waaronder talrijke unica. Dat onschatbare bestand staat bekend als de ‘Bokemeyer verzameling’, genoemd naar Heinrich Bokemeyer (1679-1751), een leerling en vriend van Österreich die hem de handschriften verkocht. Zij behoren nu tot de verzameling kostbare muziekhandschriften van de Staatsbibliothek in Berlijn.

 

Het Magnificat werd omstreeks 1700 gekopieerd in het handschrift Mus.ms. 18882, samen met nog achttien andere composities van Rosenmüller. In totaal bevat de verzameling Bokemeyer meer dan honderd werken van hem.

 

De achttien partijen van Rosenmüllers Magnificat zijn verdeeld over

  • acht stemmen (als dubbelkoor van tweemaal vier)

  • twee cornetten

  • drie trombones

  • en vijf strijkers (plus basso continuo),

een toentertijd typische combinatie voor een gemengd vocaal-instrumentaal ensemble.

 

Het werk dateert uit de jaren dat Rosenmüller in Venetië verbleef (1657/58-1682/83), waar de meerkorige, concerterende stijl sinds Giovanni Gabrieli ingeburgerd was en zich van daaruit over West-Europa had verspreid, met  Duitsland als voortrekker (cf. het eerste muziekverhaal in deze reeks Saul, Saul, was verfolgst du mich van Heinrich Schütz).

Ignace Bossuyt

De Visitatie bij Giotto, della Robbia, da Pontormo en Bill Viola

 

Giotto

Van het feestelijk, indrukwekkend slot bij Rosenmüller gaan we naar de intimiteit van de Scrovegnikapel in Padua, gebouwd in opdracht van Enrico Scrovegni. De rijke bankiersfamilie had een twijfelachtige reputatie en vaak wordt de kapel gezien als een ultieme bede van zoon Enrico om vergiffenis voor financiële wandaden van zijn voorouders. Wellicht werd de kapel in 1305 plechtig ingewijd. Scrovegni beslist om toonaangevende kunstenaars onder de arm te nemen om het gebouw te decoreren.

Scrovegni kapel Padua.jpg

Eén man kan hierbij zeker niet ontbreken: aan Giotto di Bondone (1266/76-1337) wordt de opdracht gegeven om de kapel met een indrukwekkende frescoreeks te versieren. Giotto mag beschouwd worden als één van de belangrijkste vernieuwers in de westerse schilderkunst. Hij slaagt erin de Byzantijnse traditie achter zich te laten en de schilderkunst op een nieuwe weg te zetten.

 

Zijn faam wordt geroemd door de schrijver Dante Alighieri. In zijn La Divina Commedia (1310-1320)  schrijft hij een huldebetoon aan Giotto. Hij vergelijkt hem met zijn leermeester Cimabue van wie, zo zegt Dante, we dachten dat hij de schilderkunst in pacht had. Nu zien we het werk van Giotto en de faam van Cimabue verdwijnt. Enkele jaren later schrijft Boccaccio in zijn Decamerone (1350):

Giotto was een uitzonderlijk genie. De natuur, de moeder van alles, heeft niets gecreëerd dat Giotto niet kon schilderen op een manier die zo dicht stond bij het originele dat het de indruk gaf niet van een reproductie maar van het ding zelf. Vaak werden de mensen misleid en namen ze de afbeelding voor het echte ding.

Tijd dus om de Scrovegnikapel binnen te gaan en uit de fresco’s met de familiegeschiedenis van Joachim en Anna, Maria en Jezus de Visitatie in de schijnwerper te plaatsen.

Scrovegni kapel Padua Giotto Visitatie.j

Samen met twee diensters bezoekt de zwangere Maria haar nicht Elizabeth die zwanger is van Johannes de Doper. Tegen een helblauwe achtergrond tekent Giotto het voorportaal van Elizabeths huis. Maria en Elizabeth omarmen elkaar en de tedere blik van beiden spreekt boekdelen.

 

Dit fresco is een prachtige illustratie van de vernieuwende stijl die Giotto in de schilderkunst doorvoert. De Byzantijnse traditie van de gouden achtergrond verdwijnt en verhalen worden in een picturale ruimte naar voor gebracht. De vlakke, lang uitgerokken figuren die we uit de vroege gotiek kennen, zijn verdwenen en maken plaats voor mensen die hun plaats in een driedimensionale ruimte innemen. Ook de sculpturale plooienval van de gewaden is vernieuwend en geeft de personages een groot waarheidsgehalte.  Giotto schuwt daarenboven de weergave van emotie niet. Als toeschouwer leven we mee met het intense ogenblik van de ontmoeting. Het reële leven zo waarheidsgetrouw afbeelden is voor de 14de-eeuwse bezoeker van de kapel ongetwijfeld een openbaring geweest. Tot op de dag van vandaag blijven de fresco’s in de kapel de bezoeker beroeren.

Luca della Robbia

Giotto zet ons op het spoor van de Renaissance. Met de beeldhouwer Luca della Robbia (1399/1400-1482)  viert de Renaissance hoogtij. Ook hij neemt de Visitatie als thema in zijn werk op. We reizen naar Pistoia en vinden het beeld (1445) in de San Giovanni Fuorcivitaskerk.

Della Robbia Visitatie.jpg

Het wit monochroom geglazuurde terracotta beeld (1m20 hoog) toont ons opnieuw Maria die de hier knielende Elizabeth begroet. Net als in het werk van Giotto slaagt de beeldhouwer er in om de innige band tussen beide vrouwen over te brengen.

 

Het beeld is een vroeg voorbeeld van het vermaarde tinglazuurwerk waarmee het atelier della Robbia bekendheid krijgt. Luca slaagt erin de glazuurtechniek nu ook in grotere beelden te gebruiken en zijn werken waarin blauwe, groene en witte glazuur worden gebruikt zijn wereldberoemd. Het familieatelier zou gedurende de volgende jaren de formule voor dit glazuren als “top-secret” bewaren.

Jacopo da Pontormo en Bill Viola
Potormo Visitatie.jpg

Tijdens de laat-Italiaanse Renaissance schildert Jacopo da Pontormo (1494-1557) een Visitatie (1528). Pontormo brengt het tafereel op een dynamische manier tot leven. De wind laat de  felgekleurde gewaden van de vier vrouwen wapperen.  De schilder maakt zich los van de gangbare, veel rustiger renaissance stijl en het maniërisme doet zijn intrede. 

 

Precies dit werk zal in 1995 de videokunstenaar Bill Viola (1951) inspireren voor zijn videowerk The Greeting. Het is een samenloop van toevalligheden die aanleiding geeft tot deze video. In een boekhandel in Firenze ziet Viola een afbeelding van het werk van Pontormo. Onderweg naar zijn studio ontwaart hij aan een rood licht drie vrouwen die elkaar ontmoeten terwijl hun jurken door de wind opbollen. Dit alles vormt de basis voor The Greeting waarover Viola zegt:

It is about capturing the moment, but also stretching it. (…) It’s the emotions that are being stretched. Bill Viola, 2017.

Het bijbels verhaal krijgt in het werk van Viola een hedendaagse vertaling en ligt aan de basis van een nieuw verhaal.  Viola wil doordringen tot de emotie van het schilderij. Bij het begin van de video zijn twee vrouwen, met kleurrijke jurken, met elkaar in gesprek in een stedelijk decor. Een derde vrouw voegt zich even later bij hen. Eén van beide vrouwen kent de derde vrouw, is verheugd haar te kunnen begroeten en stelt haar aan de andere gesprekspartner voor. Samen zetten ze het gesprek verder. Een lichte wind zwelt aan en bolt, zoals in het werk van da Pontormo, de gewaden op. Bill Viola inspireert zich wel vaker op schilderijen van oude meesters om ze in zijn video’s tot een nieuwe kijkervaring te omvormen.

De Pont Tilburg Greeting.jpg

Viola filmde dit werk in één “take” en gebruikte een hoge snelheid 35mm filmcamera waarmee hij 300 stills per seconde opnam. De hele opname voor The Greeting duurde 45 seconden maar wordt extreem vertraagd tot een video van 10 minuten. Op deze wijze worden alle details en alle bewegingen als een uitgewerkte choreografie zichtbaar en wordt de ontmoeting een spel van kleur, licht, beweging en tijd.  Of zoals Viola over zijn werk zegt: Time makes my art possible…. It is sculpting time.

De videoclip is omwille van auteursrechtelijke redenen beperkt tot een fragment van 30 seconden in klein formaat. De hele video bevindt zich in de collectie van De Pont in Tilburg

 

Jo Haerens

Magnificat Rosenmueller detail manuscrip

Start de youtube  en lees tegelijk links ervan de uitleg. Om de timing op de youtube constant te blijven zien, plaats je de cursor op de rode lijn.

(v. 46) Magnificat anima mea Dominum
(v. 47) Et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo.
(v. 48) Quia respexit humilitatem ancillæ suæ:
ecce enim ex hoc beatam me dicent omnes generationes.
(v. 49) Quia fecit mihi magna qui potens est, et sanctum nomen eius.
(v. 50) Et misericordia eius a progenie in progenies timentibus eum. 
(v. 51) Fecit potentiam in bracchio suo, dispersit superbos mente cordis sui.
(v. 52) Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles.
(v. 53) Esurientes implevit bonis et divites dimisit inanes,
(v. 54) Suscepit Israel puerum suum recordatus misericordiæ suæ
(v. 55) Sicut locutus est ad patres nostros, Abraham et semini eius in sæcula. 

(v. 46) Mijn ziel prijst en looft de Heer,
(v. 47) mijn hart juicht om God, mijn redder:
(v. 48) hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.
Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,
(v. 49) ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn naam.
(v. 50) Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht, voor al wie hem vereert.
(v. 51) Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen.
(v. 52) Heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien.
(v. 53) Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.
(v. 54) Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, hij herinnert zich zijn barmhartigheid,
(v. 55) zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd, jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.

Van bij het begin trekt Rosenmüller alle registers open. Een plechtstatige instrumentale inleiding roept een sfeer op van respectvolle benadering en van een liefdevolle omarming van twee zwangere vrouwen, van wie Maria uitbarst in een jubelzang: Magnificat!


1. Magnificat anima mea Dominum (0’46’’)
Na een tutti, de plechtige benadrukking van Magnificat, tweemaal herhaald, volgen telkens virtuoze soli op anima mea Domini: Maria’s ziel loopt over van geluk. Rosenmüller versnippert de tekst vaak in contrasterende deeltjes, zodat elk belangrijk woord of groepje van woorden extra aandacht krijgt. Koordeclamatie wisselt af met soms exuberante soli; bescheiden instrumentale ondersteuning, alleen met basso continuo, wisselt af met deelname van strijkers of blazers, of beide samen. De tekstinhoud is hierbij vaak richtinggevend.  

Uitvoering: Ensemble Artek & Les Saqueboutiers de Toulouse, o.l.v. Gwendolyn Toth


Partituur (van het originele handschrift): https://digital.staatsbibliothek-berlin.de/ - vul in: Johann Rosenmüller 19 geistliche Gesänge – ‘Suchen’ aanklikken, dan het werk kiezen en tenslotte links op de lijst van composities ‘Magnificat’ aanklikken (p. 255-282). Hier nog een rechtstreekse link naar de eerste pagina.