'Aeneas en Dido'

bij Orlandus Lassus en in beeldende kunst

11 februari 2021

"Lieve herinneringen, lief zolang god en noodlot het toestonden, 
wil nu dit leven ontvangen en mij uit mijn lijden verlossen. 
Ik heb geleefd, de weg die het lot mij gegeven had heb ik beëindigd. 
Roemvol zal nu mijn schim naar de onderwereld vertrekken. 

Ik heb een prachtige stad gesticht en haar muren zien rijzen, 
ik heb mijn man gewroken door mijn vijand te bestraffen. 
Ik was gelukkig, al te gelukkig, ach, wanneer maar 
nooit mijn land was bereikt door de schepen van de Trojanen."
Zij drukt haar mond op het kussen en sprak: "Ik zal sterven, 
ongewroken, maar laat mij sterven: zo, zó wil ik heengaan."

Vertaald uit Aeneis van Vergilius door Piet Schrijvers, Vergilius. Aeneas, Groningen, 2011, met enkele aanpassingen van Daan den Hengst, professor emeritus Latijn van de Universiteit van Amsterdam. 

Orlandus Lassus, Dulces exuviae

De afscheidsmonoloog van Dido uit Vergilius’ Aeneis

When I am laid in earth, de klaagzang van de verliefde Carthaagse koningin Dido uit de opera Dido and Aeneas (1689) van Henry Purcell, is wellicht de beroemdste toonzetting van haar zelfgekozen afscheid van het leven nadat de Trojaanse prins Aeneas haar op bevel van de goden had verlaten. Hij was bestemd om in Latium de stamvader te worden van een nieuwe stad, Rome. We kennen het ontroerende verhaal uit de Aeneis van de Romeinse dichter Vergilius. De passage was al zeer geliefd bij een aantal polyfonisten uit de zestiende eeuw, voordat de opera zich in de zeventiende eeuw ging ontfermen over de laatste woorden van Dido op basis van een nieuw geschreven libretto, zoals bij Purcell.

Aneas Didi mozaïek Low Ham.jpg

Tussen ca. 1515 en ca. 1600 zijn een vijftiental Latijnse versies op de oorspronkelijke Latijnse tekst bekend, variërend van enkele verzen tot Dido’s volledige monoloog. De meeste componisten behoren tot de Franco-Vlaamse school, met als bekendste namen Josquin Desprez, Adriaen Willaert en Orlandus Lassus.

 

Het is geen toeval dat deze tekst precies vanaf het begin van de zestiende eeuw de aandacht van de componisten trok. De vernieuwde interesse voor de antieke auteurs drong ook stilaan door in het milieu van de muzikale hofkapellen: Latijnse teksten werden niet langer bijna uitsluitend ontleend aan de Bijbel of andere religieuze bronnen, maar ook aan Romeinse dichters als Ovidius, Horatius en Vergilius. Zo ontstond een boeiend en nog vaak onderbelicht gewaardeerd repertoire van profane motetten.

 

Dat de voorkeur in het geval van Dido vooral uitging naar de afscheidswoorden van de vorstin, valt vooral te verklaren door het hoge emotionele gehalte ervan: in de vocale polyfonie ging steeds meer aandacht uit naar de verklanking van de inhoud van de tekst. De muziek werd meer en meer doordrongen van wat men ‘humane(re) accenten’ zou kunnen noemen. Zij was voortaan meer dan een ‘abstracte klankenconstructie’, al mag deze kwalificatie wat eenzijdig klinken. Ook voorheen was de muziek niet verstoken van emotionaliteit en expressieve toetsen, maar die werden nu met nadruk geïntensifieerd.

 

Het grijpen naar Dido’s klacht lijkt in sommige gevallen zelfs gemotiveerd door persoonljke situaties. Het liedboek van Margaretha van Oostenrijk, dat in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel wordt bewaard (Ms. 228) – het kwam hier al ter sprake naar aanleiding van het chanson Mille regretz van Josquin Desprez) - bevat naast een reeks melancholische chansons twee polyfone versies van de tekst Dulces exuviae: een anonieme, die mogelijk van de hand is van Margaretha’s bevoorrechte hofcomponist Pierre de la Rue, en een van Marbrianus de Orto, die banden had met het hof van de landvoogdes. De literair en muzikaal begaafde vorstin, die op jonge leeftijd enkele malen vroegtijdig weduwe was geworden, gaf haar hofdichter Jean Lemaire de Belges de opdracht een werk over de geschiedenis van Troje te schrijven; ze vergeleek zich graag met de Carthaagse koningin Dido, wie het lot zo ongunstig gezind was geweest.

 

Ook Martin Luther was niet ongevoelig voor de lotsbestemming van Dido. Hij vergeleek haar zelfs met de heilige Stephanus, de eerste christelijke martelaar. Dat hij Dido’s monoloog uit Vergilius kende en zelfs een polyfone vertolking ervan blijkt uit het verslag van een tijdgenoot over een bijeenkomst ten huize Luther in Wittenberg: “Toen de geleerde moe gewerkt was… liet hij een groep zangers aanrukken. Op een bepaald moment zongen we, in goed gezelschap, Dido’s laatste woorden uit Vergilius, Dulces exuviae’’.

 

De bekendste versie van Dido’s monoloog uit de tweede helft van de zestiende eeuw is ongetwijfeld die van Orlandus Lassus.

  • Wil je meer te weten komen over Orlandus Lassus en over het profane Latijnse motet, klik dan hier.

  • Wil je lezen, luisteren en de partituur volgen, klik dan hier.

  • Lees hieronder verder voor de musicologische inleiding.

Dulces exuviae

De herontdekking van de antieke auteurs leidde al snel naar hun gebruik in een didactische context, vooral in Duitsland, naar het voorbeeld van Italië. In 1507 publiceerden de humanist Conrad Celtes en de componist Petrus Tritonius in Augsburg een verzameling oden van Horatius in een strikt akkoordische vierstemmige zetting, waarbij de lengte van de noten correspondeerde met de lengte van de lettergrepen volgens de antieke metra (kort-lang). De notenwaarde voor de lange lettergrepen werd voor de korte gehalveerd (bijvoorbeeld hele en halve noot). Deze eenvoudige vierstemmige oden waren bestemd voor de leerlingen van Celtes’ Collegium Poetarum dat hij met de steun van keizer Maximiliaan I in Wenen had opgericht. Het ging om een knap pedagogisch project: de leerlingen maakten zich in één klap de teksten, de scandering en de zangkunst eigen.

 

Het succes van deze ‘humanistische oden’ wekte ook de interesse van gerenommeerde componisten, zoals Ludwig Senfl, een van de voorgangers van Lassus als kapelmeester in München. Geleidelijk drong deze eenvoudige compositietechniek ook door in het geestelijke repertoire, waarbij de strenge metriek evenwel gaandeweg werd verlaten voor een meer gevarieerd ritmisch patroon, al bleef de strikt akkoordische voordracht primeren. Met het oog op een correcte accentuering van de teksten weken latere componisten die zoals Lassus antieke verzen op muziek zetten, steeds meer af van de strenge en muzikaal zeer beperkende metrische eisen. Bovendien vermeed men steeds ook de eenvormige textuur waarbij alle stemmen de tekst gezamenlijk volgens een vast ritmisch patroon declameerden. Onder invloed van het ‘vrij’ gecomponeerde motet slopen in deze zettingen ook de imitatieve schrijfwijze en de contrapuntische vervlechting van de stemmen door. In de strenge ode domineerde één stem als melodische hoofdpartij (de tenor of de sopraan) en stonden de toegevoegde stemmen in voor de harmonische ‘vulling’. Nu werden alle stemmen zelfstandiger, zoals in het religieuze motet. Toch liet de oorspronkelijke visie op de duidelijke voordracht haar sporen na.

 

Lassus Boetepsalmboek München.jpg

Als mengvorm tussen de ‘strenge’ ode en de ‘vrije’ motetkunst is Lassus’ Dulces exuviae daarvan een uitstekend voorbeeld. Lassus verdeelt de tekst zinvol in twee delen (Dulces exuviae en Urbem praeclaram). In het tweede deel voegt hij aan het vijfstemmig ensemble (sopraan, alt, twee tenoren en bas) een zesde stem toe (een tweede sopraan), niet toevallig vanaf de woorden Urbem praeclaram, waardoor een climaxeffect ontstaat (na de droevige woorden de trots). De declamatorische voordracht ligt in het verlengde van de humanistische ode, maar Lassus doorbreekt doorlopend de strakke metriek en de ‘verticaliteit’ door de textuur te verlevendigen. Hierbij sluiten ook de tekstherhalingen en de maatveranderingen aan (van binair naar ternair en omgekeerd), die in de strenge ode niet toegelaten waren. Er is ook geen sprake van slechts twee notenwaarden. Ook de keuze voor versnelling en vertraging is duidelijk afgestemd op de tekstexpressie.

Ignace Bossuyt

Dido in de beeldende kunst

 

Het tragisch verhaal van Dido inspireert niet alleen de componisten. Ook beeldend kunstenaars zijn al van oudsher in de ban van haar tragedie. Drie grote momenten kozen we voor dit muziekverhaal uit.

De omhelzing van Aeneas en Dido

In 1938 was in het Engelse Low Ham (County Somerset) een boer, Herbert Cook,  een put aan het graven om een dood schaap te begraven. Hij vond een kleine tegel die zijn aandacht trok. In 1945 was een schooljongen geboeid door het verhaal van de gevonden tegel en ging opnieuw op zoek. Verdere professionele archeologische opgravingen volgden. Er werd een vloermozaïek gevonden waarop het verhaal van Dido en Aeneas in vijf taferelen werd voorgesteld.

Aneas Didi mozaïekdetail Low Ham.jpg

Onderzoek wees uit dat de mozaïeken in een Romeinse villa  nabij het  frigidarium (koud bad) van de villa lagen.  In “The Museum of Somerset” (Taunton Castle) zien we nu de prachtige 4de eeuwse mozaïekvloer. Er worden in deze streek wel vaker mozaïeken uit de Brits-Romeinse periode gevonden. Meestal zijn er eenvoudige geometrische figuren op afgebeeld. De mozaïeken uit Low Ham zijn dus uitzonderlijk omwille van hun verhalend karakter. In 5 aparte taferelen wordt het verhaal van de geliefden verteld.

Bekijken we hier de omhelzing van Dido en Aeneas. De figuren zijn vlak uitgewerkt tegen een witte achtergrond. Ze worden geflankeerd door twee bomen. Dido wordt naakt afgebeeld op een omgeslagen sjaal na en staat in contrapost. Met haar rechterarm reikt ze naar Aeneas’ hals. Aeneas uitgedost als soldaat draagt een oosterse Phrygische muts en rond zijn linkerarm zien we een lederen bescherming. Hij draagt de “pteruges”: een beschermende rok van leer of meerlagige stoffen.  De rode kleur van zijn riem herneemt het rode accent van Dido’s sjaal. De rand rond het paneel is met een gevlochten decoratieve boord afgezoomd.

 

Afscheid van Dido en Aeneas

Helaas, de liefde tussen Dido en Aeneas blijkt een onmogelijke liefde. Aeneas wordt door de boodschapper Mercurius op de hoogte gebracht dat hij naar Latium moet vertrekken: een dramatisch moment in het verhaal. Ook dit ogenblik vinden we in de beeldende kunst terug.

Aeneas Dido Nijmegen.jpg

Tussen 1655 en 1679 wordt in het Antwerpse weefatelier van Michiel Wauters een reeks geweven met acht wandtapijten waarop het verhaal van Dido en Aeneas staat voorgesteld. (1)

Centraal staat Aeneas die  afscheid neemt van de geschrokken Dido. Op de achtergrond staat de vloot klaar waarmee hij naar Latium zal afreizen.

Het atelier Wauters was in Antwerpen een belangrijk bedrijf met “Europese” faam. Van de reeks Dido en Aeneas bezat Wauters de kartons die getekend waren door de Italiaanse ontwerper Gian Francesco Romanelli (1610-1662). Hoe de kartons in het bedrijf Wauters zijn terecht gekomen is nog onduidelijk. Was het een bestelling door het bedrijf Wauters? Van de hele reeks zijn in ieder geval vier volledige edities bekend, ondermeer in het stadhuis van Nijmegen. In 1678-1679 werd de reeks door het stadsbestuur aangekocht om de zaal aan te kleden waar de Vrede van Nijmegen ondertekend werd. Daarenboven zijn nog 30 losse tapijten behorend tot acht verschillende edities bekend. 

Er werd zorgzaam omgesprongen met de succesvolle kartons want zes van de acht kartons zijn tot op heden bewaard gebleven (Norton Simon Foundation Pasadena, California) wat uitzonderlijk is en toch het belang van de reeks aantoont. Deze kartons zijn de enige kartons die uit het vermaarde atelier zijn bewaard.

Boorden rond het tapijt konden in afspraak met de koper aangepast worden. De boord van deze Nijmeegse reeks bestaat uit bloemstukken en wapentrofeeën.

 

Aenaes Dido Nijmegen grot.jpg

Waar de figuren op het afscheidstafereel ingehouden getekend zijn, stelt Romanelli de twee geliefden op een ander tapijt uit dezelfde reeks veel dynamischer voor. In het detail hierboven zien we Dido en Aeneas tijdens de jacht de grot invluchten en hun liefde voor elkaar uitspreken. We zien in deze twee tapijten twee aspecten van Romanelli’s stijl.

  1. Bron: G. DELMARCEL , Het Vlaamse wandtapijt, 1999.

De dood van Dido

Dat de tragische dood van Dido weerklank vindt in de beeldende kunst kan ons niet verwonderen. Zo kiest in 1711 de Franse beeldhouwer Augustin Cayot (1677-1722)  dit moment in het verhaal uit om een marmeren meesterstuk te maken en zo lid te worden van de Académies royales de peinture et sculpture.

In het beeldje van toch eerder beperkte hoogte (86cm) slaagt de beeldhouwer erin de dramatiek van het moment samen te vatten.

Dido knielt neer op de brandstapel, richt haar blik naar de hemel en

Dido Louvre.jpg

duwt met haar rechterhand het zwaard van haar geliefde Aeneas in haar borst. Enkele druppels bloed komen uit de wonde. Tot zover de barokke dramatiek.

 

Maar de lossere rococo stijl komt om de hoek kijken. Met een elegante armbeweging zwiert ze haar afvallende jurk naar achteren. Ter hoogte van haar heup is de jurk met een mooi uitgewerkte gesp vastgemaakt. De beeldhouwer slaagt erin, zoals de rococo stijl dit verwacht, dramatiek en elegantie samen te brengen. Kijken we bijvoorbeeld hoe een haarlok mooi op haar linkerschouder valt op zo een dramatisch ogenblik.

Ook de brandstapel ondersteunt het tragische verhaal. Niet alleen houtblokken zijn er gestapeld maar daartussen zien we stukken van Aeneas’ wapenrusting.

Met dit beeld laten we Dido los. Dido laat de wereld achter en Lassus begeleidt haar met ingetogen klanken.

Ik heb geleefd, de weg die het lot mij gegeven had heb ik beëindigd.

Roemvol zal nu mijn schim naar de onderwereld vertrekken.

Jo Haerens

 
 
Koorboek München.jpg

Start de youtube (uitvoering met meeschuivende partituur) en lees tegelijk  links ervan de uitleg, vers na vers.

(v. 1) Dulces exuviae, dum fata deusque sinebat,
(v. 2) accipite hanc animam meque his exsolvite curis,
(v. 3) Vixi et quem dederat cursum fortuna peregi,
(v. 4) et nunc magna mei sub terras ibit imago.

 

(v. 5) Urbem praeclaram statui, mea moenia vidi,
(v. 6) ulta virum poenas inimico ab hoste recepi,
(v. 7) felix, heu nimium felix, si litora tantum
(v. 8) numquam Dardaniae tetigissent nostra carinae.

(v. 9) Dixit, et os impressa toro: Moriemur inultae,
(v. 10) sed moriamur, ait; sic, sic iuvat ire sub umbras.

“Lieve herinneringen, lief zolang god en noodlot het toestonden,

wil nu dit leven ontvangen en mij uit mijn lijden verlossen.

Ik heb geleefd, de weg die het lot mij gegeven had heb ik beëindigd.

Roemvol zal nu mijn schim naar de onderwereld vertrekken.

 

Ik heb een prachtige stad gesticht en haar muren zien rijzen,

ik heb mijn man gewroken door mijn vijand te bestraffen.

Ik was gelukkig, al te gelukkig, ach, wanneer maar

nooit mijn land was bereikt door de schepen van de Trojanen.”

Zij drukt haar mond op het kussen en sprak: “Ik zal sterven,

ongewroken, maar laat mij sterven: zo, zó wil ik heengaan.”

Eerste deel:

(v. 1-2) Men is onmiddellijk in de ban van de plechtige voordracht, in een langzame beweging en met een beperkte melodische ontplooiing die vooral de hoogste partij, die het duidelijkst hoorbaar is, typeert. Er zijn veel toonherhalingen (vooral op de tonen mi en la) en de melodie heeft een beperkte omvang: de sopraan vertrekt van de basistoon mi (e’) en stijgt niet uit boven si (b’) uit. De verlengde, gepunte noten staan op accentlettergrepen (ex-u-viae, ac-ci-pite, a-nimam). De herhaling van accipite hanc animam accentueert de smeekbede.

I'm a paragraph. Click here to add your own text and edit me. Let your users get to know you.

Uitvoering hierboven: Huelgas ensemble, o.l.v. Paul van Nevel, met meeschuivende partituur.

 

Uitvoering bovenaan: Currende, o.l.v. Erik van Nevel.

 

De vertaling uit Aeneis is ontleend aan Piet Schrijvers, Vergilius. Aeneas, Groningen, 2011, met enkele aanpassingen opdat de tekst zo dicht mogelijk bij het origineel zou aansluiten. Met dank aan Daan den Hengst, professor emeritus Latijn van de Universiteit van Amsterdam.

 

Voor meer uitleg over Orlandus Lassus en het profane Latijnse motet, bekijk de verschillende pagina's hieronder door op de pijlen vooruit of achteruit te klikken.

Orlandus Lassus (1532-1594)

Le plus que divin Orlande, zoals de Franse dichter Pierre de Ronsard hem karakteriseerde, heeft zowel kwantitatief als kwalitatief de vocale muziek in de tweede helft van de zestiende eeuw bepaald. Dat Orlandus Lassus – zo luidt de courante Latijnse versie van zijn Franse naam Orlande de Lassus - zonder voorbehoud als een Europese beroemdheid mag bestempeld worden, blijkt alleen al uit de overweldigende reeks uitgaven van zijn werk. In de veertig jaar dat er tijdens zijn leven composities van hem werden gepubliceerd – tussen 1555 en 1594 – verscheen er gemiddeld om de maand werk van hem, hetzij in muziekdrukken volledig aan hem gewijd, hetzij in bloemlezingen en dat zowel als nieuwe edities of als herdrukken. Die kwamen van de pers bij de meest gereputeerde muziekdrukkers van die tijd uit de Nederlanden (Antwerpen en Leuven), Italië (Venetië), Frankrijk (Parijs) en Duitsland (Neurenberg, München).

Lassus werd geboren in Mons, waar hij ook zijn opleiding kreeg. Tussen 1544 en 1554 was hij in Italië in dienst van adellijke en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, onder meer in Napels en Rome. Hij maakte er grondig kennis met typische Italiaanse genres als het gesofistikeerde en artistiek hoogstaande madrigaal en de Napolitaanse villanella, de volkse en lichtvoetige tegenhanger daarvan. In 1553 bracht hij het in Rome, op de leeftijd van 21 jaar, tot kapelmeester van de gerenommeerde kerk Sint-Jan van Lateranen, maar een jaar later keerde hij al naar zijn vaderland terug. Hij vestigde zich in Antwerpen, waar hij zijn eerste werken kon laten uitgeven. Die concentreerden zich vooral rond twee genres: het Franse chanson en het Latijnse motet.

Orlandus Lassus portret.jpg

Het Latijnse distichon onder het portret maakt een toespeling op het Latijnse woord lassus (‘vermoeid’). De vertaling luidt: Dit is Orlandus Lassus die de vermoeide aarde verkwikt en door zijn muziek de wereld die in tweedracht leeft, opnieuw verenigt.

P. 1/4