DE DISTELVINK BIJ ANTONIO VIVALDI EN CAREL FABRITIUS

 13 november 2020

Het geheim van Antonio Vivaldi

Wat is het geheim van het duurzame succes en de populariteit van Antonio Vivaldi? Het antwoord is dat er geen geheim is:  Vivaldi speelt meestal ‘open kaart’, hij heeft geen ‘verborgen agenda’ en hij valt doorgaans direct met de deur in huis, zodat luisteraar en uitvoerder zich onmiddellijk bij het muzikaal verhaal betrokken voelen.

 

Vivaldi’s recept is even eenvoudig als uniek: de delen in snel tempo beginnen met de hem zo karakteristieke, aanstekelijke ‘ritmische schwung’, de trage delen zijn overwegend lyrisch, gekenmerkt door pure zangerigheid, die zowel primeert in de instrumentale als in de vocale werken.

 

In zijn ca. 500 concerti – de meeste voor viool, zijn instrument – treedt de solist als het ware op als een operazanger(es), die ten tonele verschijnt en in fascinerende soli de meest uiteenlopende emoties oproept.

Vivaldi portret.jpg

Vogelzang als inspiratiebron

Enkele concerti (en opera-aria’s) van Vivaldi zijn geïnspireerd door de natuur, zoals vogelzang of natuurverschijnselen als wind, storm en waterstromen. Uiteraard is de vogelzang een dankbare inspiratiebron voor veel componisten: geen ander geluid in de natuur is zo boeiend als de onwaarschijnlijke variatie aan wat de vogels aan melodieën produceren.

 

Letterlijke overname van vogelzang in een ‘klassieke’ compositie is evenwel niet vanzelfsprekend, om diverse redenen. Ik citeer uit een recent, bijzonder informatief boekje over vogelzang: Wat zingt daar? Vogelzang door het jaar heen van de Nederlandse natuurjournalist en natuurgids Dick de Vos (KVNV Uitgeverij, 2020, p. 22):

Onze muzieknotatie is eigenlijk ongeschikt voor vogelzang. Een vast ritme is meestal ver te zoeken en vogels houden zich bovendien zelden aan de standaard maatvoeringen. Klanken in de zang hebben geen notenkwaliteit, maar beslaan verschillende frequenties, ze wisselen van lengte, stijgen of dalen van toon, versnellen of vertragen naar believen en dat alles in een razendsnel tempo, vol trillers, tremolo’s of voorslagen”.

 

Met andere woorden: ons gevoel en onze ervaring van metrum, ritme, tempo en toonhoogte zijn totaal verschillend van het gezang dat de vogels produceren. De nabootsing van een vogelgeluid in een compositie kan dus slechts bij benadering.

 

De componisten die zich door vogelzang laten inspireren hebben overigens ook zelden de intentie de vogelzang exact te kopiëren, al zijn er uitzonderingen (van wie de meest opmerkelijke ongetwijfeld de 20ste-eeuwse Franse componist Olivier Messiaen, 1908-1992).

 

Bij sommige vogels met een beperkt  zangrepertoire – als men het zang kan noemen! – is de overname uiteraard wel mogelijk, bijvoorbeeld de koekoek (twee tonen) en de kwartel (driemaal dezelfde toon), die even opduiken in Beethovens Zesde symfonie (Pastorale).

Terug naar Vivaldi.

 

Concerto Il gardellino (RV 428)

Eén concerto van Antonio Vivaldi draagt als titel de naam van een vogel: Il gardellino, de Italiaanse naam voor de putter of distelvink. Over de naam schrijft Dick de Vos:

“De naam ‘putter’ verwijst naar een tijd dat kooivogelhouders hem trainden om met zijn snavel een emmertje water op te halen. De vogel kreeg geen water en werd volkomen ‘uitgedorst’. Zo leerde hij om met een mini-emmertje water uit een put te halen. Ik vermoed dat putters zelf niet blij zijn met die naam uit hun slavernijverleden. Putters zijn uitgesproken zaadeters. Ze zijn verzot op ruige bermen, waar ze zaden pikken van uitgebloeide distels of paardenbloemen. Een betere aanduiding is daarom hun oude naam: distelvink”. (p. 76). 

 

Bij die laatste sluit de Italiaanse benaming aan: gardellino  

(of cardellino) is het verkleinwoord van garduelo, van het Latijn carduelis (distelvink), afgeleid van carduus, wat distel betekent.

Vivaldi’s concerto Il gardellino behoort tot een cyclus van zes concerti voor traverso, strijkers en basso continuo, in 1729 uitgegeven in Amsterdam, toen een van de toonaangevende centra van de muziekdruk in West-Europa. Het zijn de eerste concerti met traverso als solist die werden uitgegeven.

 

Drie werken uit die reeks dragen een titel: La tempesta di mare (‘De storm op zee’), La notte (‘De nacht’) en Il gardellino. Ze passen in de reeks van programmatische werken van Vivaldi, waarvan De vier Jaargetijden uit 1725 de meest bekende zijn. Ook daar (in De lente) komt de vogelzang voor, zij het meer algemeen, niet verbonden aan een welbepaalde vogel.

 

In Il gardellino is de distelvink Vivaldi’s inspiratiebron, al is er hier ook geen sprake van een poging tot letterlijke imitatie. De zang van de distelvink beantwoordt immers perfect aan de geciteerde omschrijving van de vogelzang door Dick de Vos. Toch roept Vivaldi de distelvink mooi op door het gebruik van enkele typische kenmerken:

  • trillers (de snelle herhaling van twee dicht bij elkaar liggende tonen)

  • tremolo’s (de snelle herhaling van één toon)

  • herhaling van intervallen met versnelling van het tempo en snelle loopjes in de traverso, uiteraard het ideale instrument voor de imitatie van vogelzang.

 

Deze elementen zijn al direct te horen in het eerste solofragment in het eerste deel van het concerto na de inleiding door het ensemble van strijkers, waarin de solist ook al opvalt door een opstijgend motiefje.

De meeste van Vivaldi’s concerti zijn driedelig, volgens de opbouw: snel (allegro) – langzaam – snel (allegro of presto, zeer snel).

 

In de snelle hoekdelen volgt Vivaldi een even eenvoudig als efficiënt structuurprincipe: het volledig ensemble (het tutti) begint met een inleiding, die een aantal keren als een refrein (ritornello) terugkeert, al dan niet gevarieerd. Daartussenin krijgt de solist in een aantal solopassages de kans te schitteren. Die solofragmenten kunnen sterk variëren: ofwel baseert de solist zich op elementen uit het refrein ofwel gaat die zijn eigen gang, of een combinatie van beide. Dit maakt de beluistering van Vivaldi’s concerti telkens weer tot een boeiende ervaring, tegen de stelling van kwade tongen in dat hij 500 maal hetzelfde concerto componeerde! Tijdens de solofragmenten blijft het ensemble meestal op de achtergrond (of blijft het zelfs helemaal stil, zoals hier in de eerste solo waar de distelvink zich voorstelt), al is er ook vaak dialoog tussen beide partners. Het laatste deel van het concerto is op hetzelfde stramien gebaseerd.

 

Het langzame middendeel is overwegend een lyrische zang, waarin de solist vaak van begin tot einde domineert. Dit is ook in Il gardellino het geval. Van enige nabootsing van de distelvink is hier geen sprake meer (ook trouwens weinig in de finale), maar er is wel een element dat refereert aan het oproepen van de natuur: de maat is 12/8, het zogenaamde sicilianoritme, dat in de barokperiode typisch is voor lieflijke pastorale taferelen, met een zangerige (Vivaldi noteert: cantabile), rustig-wiegende melodie. Een mooi voorbeeld is de inleidende instrumentale sinfonia van de tweede cantate in Bachs Kerstoratorium, waarin de herders ten tonele verschijnen (Und es waren Hirten). Niet toevallig duikt het sicilianoritme ook op in cantates van Bach waarin Christus als de Goede Herder optreedt.

 

Zet alle zorgen opzij en geniet van dit aanstekelijk muzikaal natuurtafereeltje waarin alle ingrediënten van het recept Vivaldi aanwezig zijn: spontaan, natuurlijk, virtuoos én lyrisch, en perfect geënt op de technische en expressieve mogelijkheden van het instrument.

Ignace Bossuyt

 

 

Uitvoering: Flute Concerto RV 428 "Il gardellino", TCU Collegium Musicum, Dec 2, 2014, o.l.v.  J.H.Butler,
Flauto Traverso : Mehrdad Gholami.

RV 428: RV verwijst naar Ryom Verzeichnis, de werkcataloog van Vivaldi opgesteld door de Deense musicoloog Peter Ryom.

 

Partituur:

  • Originele uitgave van 1729 (de partij van de traverso, goed te volgen): 

https://imslp.org/wiki/6_Flute_Concertos%2C_Op.10_(Vivaldi%2C_Antonio)

Het Puttertje (1654) van Carel Fabritius (1622-1654)

Il Cardellino, het puttertje, de distelvink. Het ligt voor de hand, we kijken richting Haags Museum Mauritshuis voor wat je wellicht “het beroemdste en meest bekeken vogeltje in de kunstgeschiedenis” kan noemen: Het Puttertje van Carel Fabritius uit 1654. Een schilderij zoals de muziek van Vivaldi: zonder geheim, zonder verborgen agenda, maar waar je als bezoeker door gefascineerd raakt.

503px-Fabritius-vink wiki.jpg

Pas in 1859 komt het schilderijtje weer echt onder de aandacht als de Franse kunstcriticus Théophile Thoré het omschrijft als 

een stukje van niets, maar heel goed en zeer kostbaar vanwege de signatuur van de man aan wie Vermeer is verbonden”.

 

Zo’n twee eeuwen was het onder de radar gebleven. Immers, op 12 oktober 1654 wordt de stad Delft, waar Fabritius werkzaam is, opgeschrikt door “de Delftse donderslag”. Een opslagplaats voor buskruit zet de stad in vuur en vlam. Onder de talloze slachtoffers ook Carel Fabritius, de jonge veelbelovende schilder. De brand vernietigt een groot deel van zijn werken. Enkele blijven bewaard maar lijken aan de aandacht te ontsnappen.

 

Tot in 1859 dus en van dan af staan mensen in de rij om oog in oog te staan met het rode kopje van het vastgeketend distelvinkje. En dat rode kopje is geworteld in een legende: bij de kruisiging van Jezus trekt een puttertje een distel uit de doornenkroon op Jezus’ hoofd. Bloed van Jezus kleurt zijn kopje rood en zo wordt de distelvink, zoals in het werk van Rafaël te zien, het symbool voor de latere kruisdood van Jezus: Madonna van de distelvink (1505-1506).

Raffaello_Sanzio_-_Madonna_del_Cardellin

Voor Fabritius is het puttertje eerder het lieftallig huisdiertje dat hij met vlotte penseelstreken weet te schetsen. Stel je daarenboven even voor dat het werkje zonder lijst zou ophangen. Misschien trap je dan wel in de val en kan je denken een echt puttertje te zien? Fabritius wil je met zijn trompe l’oeil op het verkeerde been zetten en de schaduw op de muur helpt hem daarbij. Hierin is hij een meester. We laten zijn medeleerling Samuel van Hoogstraten aan het woord::

"Maer ik zegge dat een Schilder, diens werk het is, het gezigt te bedriegen, ook zoo veel kennis van de natuur der dingen moet hebben, dat hy grondig verstaet, waer door het oog bedroogen wort"

 

En dat Fabritius dit spel onder de knie heeft, bewijst het kleine distelvinkje.

 

In zijn boek “De Stilte van het licht” omschrijft Joost Zwagerman Het Puttertje van Fabritius

als een uitstapje: een losjes vervaardigd trompe-l’oeilexperiment in de marge van zijn oeuvre”.

 

Maar dan wel een experiment waarin je steeds iets nieuws ontdekt, net zoals bij het beluisteren van de schijnbaar steeds gelijkaardige Vivaldi concerti.

 

 

Jo Haerens