Beethoven, Les Adieux
Een vaarwel met Manet, Hammershoi en Renoir

21 juni 2021

Indien nog niet geregistreerd voor onze Kunstontmoetingen nieuwsberichten

Bedankt om te registreren

Veertig muziekverhalen, veertig uitnodigingen om een bijpassend beeld te zoeken, veertig  muzikale vaccins om een tweede lockdown en lange winter te overbruggen. Een parcours met tal van nieuwe ontdekkingen, met een wit blad dat vroeg om tekst en beeld, met schrijven en schrappen. En ook steeds weer voldoening als een muziekverhaal vorm kreeg.

Dank dat jullie de verhalen volgden, dank voor alle reacties en blijf genieten van wat nog meer in de verhalen te ontdekken valt. Via de website houden we contact: wellicht gaan de muziekverhalen nog een tweede leven leiden. We houden jullie op de hoogte!

Ignace Bossuyt - Jo Haerens - Jan Van Daele

1/3

BEETHOVEN, Das Lebewohl – Les Adieux

 

Daar het vaststaat, dat slechts iemand die zoveel mogelijk van zorgen is bevrijd zich volledig aan een activiteit kan wijden en werken met allure creëren die groots en subliem zijn en de kunst veredelen, hebben ondergetekenden beslist het meneer Ludwig van Beethoven mogelijk te maken dat de vervulling van zijn levensbehoeften hem niet belasten of zijn krachtige genius hinderen.  

1809: Ludwig van Beethoven tussen hamer en aambeeld

Met deze woorden stelden drie jonge leden van de hoge Weense adel in 1809 een contract op voor de jaarlijkse uitbetaling van een royale vergoeding aan Beethoven zodat hij onbezorgd zijn edele kunst zou kunnen beoefenen. De directe aanleiding daartoe was het gerucht dat de componist van plan was Wenen te verlaten om als kapelmeester in dienst te treden bij Jerôme Bonaparte in Kassel, die door zijn illustere broer Napoleon in 1808 tot koning van Westfalen was aangesteld. Met deze overstap zou Beethoven zich in het vijandelijke kamp begeven en dat was voor zijn adellijke mecenassen een brug te ver. Hun drastische ingreep had succes: hun beschermeling bleef in Wenen.

In 1809 was de politieke en economische situatie in de Donaustad verre van rooskleurig. De Oostenrijkers hadden een aantal vernederende nederlagen geleden onder meer in 1805 wat had geleid tot de bezetting van Wenen door Napoleon. Zij waren uit op wraak, vormden in februari 1809 een coalitie met het Verenigd Koninkrijk en verklaarden de Fransen de oorlog. Die namen Wenen echter opnieuw in op 13 mei. Tijdens de beschietingen schuilde Beethoven in de kelder van zijn broer, met kussens over de oren. In de bloedige Slag van Wagram, op 5 en 6 juli 1809, leed Oostenrijk opnieuw een verpletterende nederlaag.

Het aanbod dat Beethoven vanuit het oorlogsvrije Kassel ontving moet in deze omstandigheden beslist aantrekkelijk hebben geklonken. Maar toen traden de drie aristocratische mecenassen in actie: aartshertog Rudolph, prins Lobkowitz en prins Kinsky. Beethoven beloonde hen met de opdracht van enkele van zijn fraaiste werken: aan Rudolf dediceerde hij het Vierde pianoconcerto, aan Lobkowitz  de Vijfde en de Zesde symfonie, en later aan Kinsky de Mis in C.

Intussen liet Beethoven niet na te componeren. Hij greep de gelegenheid aan om voor aartshertog Rudolph een bijzonder werk te schrijven: de Pianosonate op. 81a, bekend als Les Adieux.

Aartshertog Rudolph (1788-1831), Beethovens leerling en gulle mecenas

Aartshertog Rudolph was de twaalfde(!) en jongste zoon van prinses Maria Ludovica van Spanje en Leopold, de groothertog van Toskane die in 1790 keizer Leopold II was geworden. In 1804 werd de keizerstelg pianoleerling van Beethoven bij wie hij zich kort nadien ook in de compositie bekwaamde. Rudolph werd bekend als een uitstekend pianist en een professioneel gevormde componist. Hij schreef onder meer een reeks van 40 Variaties op een thema uit een lied van Beethoven (O Hoffnung). In 1819 werd hij benoemd tot kardinaal en aartsbisschop van Olmütz (Olomouc). De feestelijke intronisatie vond plaats op 20 maart 1820, een dag – zoals Beethoven het al in maart 1819 aan zijn mecenas en vriend had geschreven – waarop tijdens de feestelijkheden voor Zijne Hoogheid een hoogmis van mij zal uitgevoerd worden, een dag die voor mij de mooiste van mijn leven zal zijn en God mij het licht zal schenken opdat mijn zwakke krachten mogen bijdragen tot de glorie van deze feestelijke dag.

 

Deze ‘Hohe Messe’ kostte Beethoven echter heel wat kopzorgen, zodat die maar in 1822 klaar kwam. En pas in 1823 kon de componist de nu als Missa solemnis bekend staande mis persoonlijk aan de aartshertog overhandigen. Geen andere mecenas heeft Beethoven met zoveel van zijn waardevolste composities bedacht. Naast de al vermelde werken nog onder meer: de monumentale Hammerklaviersonate op. 196, de Vioolsonate op. 96, het Pianotrio op. 97 (Aartshertogtrio) en de Große Fuge op. 133. Rudolph was overigens de enige van de drie edelen die zich heeft gehouden aan de uitbetaling van Beethovens toegewezen jaargeld.

Tijdens de aanval op Wenen door de troepen van Napoleon in 1809 was de keizerlijke familie op 4 mei gevlucht – negen dagen voor de inname van de stad – samen met het gros van de adel en duizenden burgers. Pas op 10 januari 1810  keerde Rudolph naar Wenen terug. Op de dag dat Rudolph Wenen verliet noteerde Beethoven een eerste schets van een pianosonate die zou uitgroeien tot Les Adieux.

 

Pianosonate op. 81a: Les Adieux, opgedragen aan aartshertog Rudolph (1809/10)

Elk van de drie delen van de sonate is voorzien van een titel:

  1. Das Lebewohl (Het afscheid)

  2. Abwesenheit (Afwezigheid)

  3. Das Wiedersehen  (Het weerzien).

De Franse titel Les Adieux (voor de hele sonate en L’absence en Le Retour voor de delen twee en drie) stamt van de uitgever, tot irritatie van Beethoven die hem nochtans had verzocht de twee talen (Duits en Frans) te gebruiken. Na de publicatie schreef hij hem ontstemd: ‘Lebewohl is iets totaal anders dan les adieux: het eerste zegt men hartelijk tot één persoon, het andere tot een grote groep, tot hele steden.

Les Adieux score.jpg

Dat de Duitse terminologie van belang is blijkt uit het feit dat Beethoven het woord Lebewohl in de eerste maten omzet in een muzikaal motief: drie dalende tonen in de rechterhand (sol – fa – mi mol, g’ – f’ – es’), waarboven hij het drielettergrepige woord noteert. Het wordt vaak geïnterpreteerd als een hoornsignaal, ofwel van de roep in het verre woud, een typisch romantisch symbool voor nostalgie, ofwel van de vertrekkende (post)koets. Het gaat hier echter niet om zogenaamde ‘programmamuziek’, waarbij fragment per fragment een ‘verhaal’ wordt verteld, zoals bijvoorbeeld in de het symfonisch gedicht De Moldau van Bedrich Smetana. Wat Beethoven wenst te verklanken is een ’karakter’, het oproepen van een sfeer en een emotie geïnspireerd door de drie situaties: afreis, afwezigheid en terugkeer.

Ignace Bossuyt

Beethoven begeleidt ons slotverhaal: Les Adieux: 

Het ga je goed

De afwezigheid

De terugkeer

Gekozen op maat van de komende maanden met beelden die hier en daar een zomers tintje krijgen.

 

1. Het ga je goed  (Das Lebewohl)

In 1869 schildert Edouard Manet (1832-1883) Het vertrek van het stoomschip naar Folkestone. Samen met zijn vrouw Suzanne Leenhoff en haar zoon Leon verblijft de schilder in Boulogne-sur-Mer van waar het schip vertrekt. Manet houdt van deze badstad en verblijft er dan ook regelmatig. In 1868 nam Manet trouwens ook deze boot om Londen te bezoeken.

Een menigte staat klaar om in te schepen. Manet schenkt geen aandacht aan individuele personen of gelaatsuitdrukkingen. Het verhaal wordt gesuggereerd en opgebouwd door kleur en licht. Het kleurenpalet wordt gedragen door het contrast van zwart/wit met accenten van blauw, rood, geel en oranje. De blauw-groene kleur van het water en de blauwe lucht omkaderen de menigte.

Alhoewel Manet zichzelf niet als impressionistisch schilder zag, kunnen we bij dit schilderij begrijpen waarom de impressionisten hem als hun voorbeeld zagen: een vluchtige impressie van een moment gevat in kleur en licht.

 

2. Afwezigheid (Abwesenheit)

Het anker is gelicht, de reis is begonnen. De thuisblijvers voelen de afwezigheid. De Deense schilder Vilhelm Hammershoi (1864-1916) kan als geen ander de afwezigheid, de leegte of de stilte zichtbaar maken. Interior is een werk uit 1899 en typeert de sfeer in tal van werken van Hammershoi. Het is een intrigerend werk. Op het eerste gezicht gebeurt er op dit schilderij weinig of niets. Je zou anderzijds kunnen aangeven dat het een werk is dat vragen oproept zonder antwoorden te geven. Een vrouw, op de rug gezien, staat alleen in een sobere kamer. We zijn in Strandgade 30 in Kopenhagen, de woning van Hammershoi. Gesloten deuren, een lege ronde tafel, een kachel en voor het overige een in het zwart geklede vrouw. Het licht valt vooral op haar hals. Door deze lichtvlek gaat de aandacht naar de vrouw van wie we ons afvragen wat ze doet. Leest ze een brief? Of net niet?  

 

De stilte en het raadselachtige in de werken van Hammershoi roepen vaak de associatie met het werk van Johannes Vermeer op. Bekijken we maar even de beide brieflezende vrouwen.

Hammershoi Vermeer.jpg

Echter de kleuren verwijzen naar Hammershoi’s grote inspirator James Whistler (zie bv. dit schilderij in ons muziekverhaal n° 22).  In Interior overheersen de grijs-blauwe tinten de ruimte. Het zijn deze kleuren die Hammershoi meestal in zijn werken gebruikt. Hij is gefascineerd door Whistlers melancholisch kleurgebruik. In 1896-1897 is Hammershoi in London. Hij hoopt er de schilder te ontmoeten. Whistler is niet thuis en de verlegen Hammershoi durft geen verdere stappen te ondernemen.

Vaak staat Hammershoi’s vrouw Ida model voor zijn werken. En steeds vinden we haar terug als enige figuur in een al dan niet lege ruimte waar soms lichtstralen binnenvallen. In Interior overheerst het alleen-zijn eens te meer. Alleen-zijn na het afscheid? Niemand zal het ons zeggen, maar de muziek van Beethovens Abwesenheit  zweeft als een soundtrack boven het beeld.

3. Het weerzien (Das Wiedersehen)

Een jubelende, feestelijke finale met vertederende momenten: naar dit moment kan Auguste Renoir (1841-1919) ons meevoeren. Het is 1876 en in Montmartre’s Moulin de la Galette is er, zoals vaak, feest. De plaats is historisch. Montmartre telde meer dan 30 molens om het koren te malen en de wijnoogst te persen. In 1860, na de Pruisische oorlog, besloot de molenaarsfamilie Debray van Moulin de la Galette een Bal Populaire te maken. Het was een pleisterplek voor velen en vaak kwamen er kunstschilders zoals Van Gogh, Toulouse-Lautrec en Renoir.  Renoir vereeuwigde de molen in het beroemde schilderij ‘Le Bal au Moulin de la Galette’  Het is een groot werk (131cm x 175 cm) dat volgens de biograaf van Renoir Georges Rivière ook ter plaatse werd geschilderd.

In de carrière van Renoir is dit een vroeg werk waarmee hij duidelijk afstand neemt van de klassieke, academische schilderkunst. Zijn vriend en mecenas Gustave Caillebotte, zelf ook schilder, koopt het werk en schenkt het per testament aan de Franse staat.

Het werk is een wervelend verhaal. Mensen dansen, praten en genieten van het weerzien. Renoir geeft ons een impressie van het gebeuren: vluchtig, kleurrijk en af en toe een rustmoment zoals de pratende figuren op de voorgrond. Renoir vult het vlak met tal van kleuren: variaties van blauw, geel, paars, rood, groen. De losse borstelstreken van de schilder dragen bij tot het willen vatten van “het moment”: geen statisch werk maar één en al dynamiek. We zien hier de impressionist Renoir in volle actie. Hij slaagt erin het licht te capteren en wanneer we enkele details van het werk bekijken zien we zijn meesterschap.

1/7

Het weerzien kan wellicht niet feestelijker dan op dit werk. De rijke klanken die we in het laatste deel van de sonate hoorden krijgen hier hun kleurrijke, visuele vertaling. 

Jo Haerens

 
 
 

Voor de verdere musicologische uitleg van elk deel, schuif door de verschillende pagina's terwijl je luistert naar de bovenste youtube. Timing in de tekst. Hou je cursor op de rode lijn van de youtube om de timing te blijven volgen

Uitvoering: live-uitvoering door Louis Schwizgebel tijdens de WQXR's Beethoven Piano Sonata Marathon in The Greene Space op 20 nov 2011 (de opgegeven timing volgt deze opname)

Deel 1. Adagio. Allegro (Das Lebewohl)

Adagio. De langzame inleiding begint met het Lebewohl-motief. De muziek creëert een intense  melancholische sfeer, aarzelend en zoekend, stijgt dan op naar een hoogtepunt, waarna zonder overgang de emotie losbarst in het Allegro (1:35). Het dalende Lebewohl-motief uit de inleiding duikt constant op, nu eens duidelijk hoorbaar, dan weer verborgen.

 

Ik signaleer enkele opvallende passages:

  • 3:35-3:52,

  • 3:58-4:11, waarin het motiefje van drie noten is uitgebreid tot een lange dalende, ‘negatieve’ lijn,

  • 5:06,

en twee uitgesproken dominante passages:

  • 5:31-5:48 en, aan het slot, 6:18- 6:38,

waarna de rechterhand in een prachtige passage, pianissimo, drie keer opstijgt en als het ware vragend blijft hangen op een hoge noot.  Het antwoord zijn twee afsluitende forte-akkoorden, als een definitief Lebewohl…

P 1/3

Andere uitvoering (niet live): Arthur Rubinstein, Rubinstein Collection, Vol. 56: Beethoven Piano Sonatas Opp. 13, 27/2, 57, 81a