FRANZ LISZT – MICHELANGELO
IL PENSEROSO

 27 november 2020

Grato m’è ’l sonno, e più l’esser di sasso,
mentre che ’l danno e la vergogna dura;
non veder, non sentir m’è gran ventura;
però non mi destar, deh, parla basso.

Dierbaar is mij de slaap en meer nog van steen te zijn
zolang de schade en schande duren.
Niet zien, niet horen is mij een groot geluk,
maak mij niet wakker alstublieft, spreek zacht.

De ‘Pelgrimsjaren’ van Frans Liszt

Dit kwatrijn van Michelangelo prijkt als motto op de titelpagina van het pianowerk Il penseroso van Franz Liszt (1811-1886), samen met een eigentijdse tekening van het gelijknamige marmeren beeld dat Michelangelo vervaardigde voor de Medicikapel in Florence. Het stelt Lorenzo II de Medici (1492-1519) voor, hertog van Urbino en als politieke figuur eerder onbeduidend (hij was heerser in  Florence in de jaren 1516-1519). Hij was de vader van een beroemdere persoonlijkheid: Catharina de Medici, de latere Franse koningin.

 

Liszt componeerde dit werk in 1838 tijdens een verblijf in Italië, waar hij zich voor een aantal pianocomposities inspireerde op meesterwerken uit de literatuur (Petrarca, Dante) en de plastische kunsten (Raphael en Michelangelo). Hij bundelde die later in een tweede reeks Années de pèlerinage. Een eerste ontstond in Zwitserland, waar hij vooral geïmponeerd werd door de overweldigende natuur.

 

De ‘Pelgrimsjaren’ van Liszt behelzen de periode tussen 1835 en 1839, vier jaren van de twaalf die hij samenleefde met gravin Marie d’Agoult, die hij in 1833 in de Parijse salons had leren kennen. Om een schandaal te voorkomen – de gravin was een (ongelukkige) gehuwde vrouw – namen zij in 1835 samen de wijk naar Zwitserland en Italië. Tijdens die jaren schonk Marie d’Agoult hem drie kinderen, waarvan er vooral één de geschiedenisboeken haalde: Cosima (1837-1930), de latere echtgenote van de dirigent Hans von Bülow en nadien van Richard Wagner.

Liszt en de piano

Liszt_Lehmann_portrait_cropped tekst.jpg

Hoewel Liszt nagenoeg alle denkbare negentiende-eeuwse genres beoefende, wordt hij toch vooral geassocieerd met pianomuziek, die het hoofdbestanddeel van zijn productie uitmaakte tot in het jaar 1848.

 

Liszt was als uitvoerder een vroegrijp pianowonder. Hij trad al op elfjarige leeftijd op met uitvoeringen van concerti.

Als kind werd hij door zijn vader in een aantal belangrijke muzikale centra geïntroduceerd, onder meer in Londen en Parijs.

 

Het plotse overlijden van zijn vader in 1827 in Boulogne-sur-Mer maakte echter een einde aan deze pedagogische krachttoer. Intussen genoot hij in Parijs van intens piano-onderricht en ontmoette hij in de intellectuele en artistieke kringen eersterangsfiguren uit de muzikale wereld, zoals Hector Berlioz, Frédéric Chopin en Niccolò Paganini.

 

Vanaf de jaren ’30 ontwikkelde hij zijn fenomenale pianotechniek, waarbij hij de grotere expressieve mogelijkheden van de moderne piano exploreerde, vooral de instrumenten die gebouwd werden door de firma Erard, die dankzij het smeedijzeren raamwerk sterker waren dan de zachtere Pleyelpiano’s (die Chopin prefereerde), een groter klankvolume konden produceren en vooral ook meer dynamische nuances toelieten.

 

Na zijn scheiding van Marie d‘Agoult in 1839 volgde in de jaren tot 1847 Liszts glansperiode als pianovirtuoos. Zijn naam is verbonden met een aantal spectaculaire vernieuwingen:

  • hij was de uitvinder van het grote solorecital, waarbij de piano van het salon naar de concertzaal verhuisde

  • hij was de eerste die het programma volledig uit het hoofd speelde

  • baanbrekend was zijn keuze van een uitgebreid repertoire (van Bach tot Chopin, met een flink aandeel Beethoven, vooral ook de latere pianosonates die toen nog grotendeels onbekend waren)

  • en geen enkele uitvoerder voor hem heeft zo intens Europa rondgereisd (tijdens die jaren gaf hij meer dan duizend recitals).

 

Vanaf 1848 vestigde hij zich in Weimar, waar hij al in 1842 aangesteld was als kapelmeester en nu leider en organisator werd van de operauitvoeringen. Er begon een nieuwe fase in zijn leven, met drukke compositorische activiteiten (zoals het creëren van een nieuw orkestgenre: het symfonisch gedicht) – en een nieuwe liefde:  de Poolse prinses Carolyne von Sayn-Wittgenstein. Maar laat ons terugkeren naar Florence in 1838, waar Liszt in bewondering stond voor Michelangelo’s Il penseroso, het beeld van Lorenzo II de Medici, die in diepe, duistere gedachten verzonken is.

Il penseroso (1838) uit Années de pèlerinage, Italie

Liszt wordt nog al te vaak eenzijdig en onterecht geassocieerd met spectaculaire virtuositeit en excessieve effectjagerij. Die waren inderdaad nevenverschijnselen van de romantische ‘heldenverering’, maar niet de essentie van componisten en uitvoerders die zichzelf en hun publiek au sérieux nam – en daar behoorde Liszt zonder enige twijfel toe. Zoals vermeld was zijn repertoirekeuze tijdens zijn recitals ongewoon en baanbrekend. Bovendien bevat zijn eigen werk een groot aantal composities waarin van virtuoos vertoon geen sprake is en die veeleer weinig worden uitgevoerd. Een daarvan is Il penseroso, één van zijn diepzinnigste pianowerken.

 

Het thema van de dood, zoals verwoord in de verzen van Michelangelo, sprak hem sterk aan. Het plotse overlijden van zijn vader in 1827, toen hij zestien jaar oud was, had hem erg aangegrepen. In zijn werk komt de thematiek van de dood dan ook geregeld voor. Het is bekend dat hij na zijn vaders heengaan te zijner ere een dodenmars componeerde. Ook Il penseroso is strikt muzikaal gezien opgevat als een dodenmars. Het langzame tempo (lento), het minimum aan melodische substantie, de dissonante, overwegend  chromatische harmonie en het extreem lage register in de piano (toen nog weinig gebruikelijk) zijn typische kenmerken van deze introverte muziek die duistere, ‘negatieve’ gevoelens wil oproepen. Het gepunte ritme en het metrum (C) zijn typisch voor de dodenmars (zoals in de overbekende Marche funèbre uit de Pianosonate nr. 2 van Chopin).

(Ik verwijs naar de timing van de opname met Jandó). De beginmaten bepalen de donkere sfeer van het ganse stuk (8’16”): het hele muzikale verhaal is gecentreerd rond de herhaling van statische akkoorden in de uiterste stemmen. Liszt vult het midden op met een langzaam dalende, chromatisch verglijdende lijn. Chromatiek was al enkele eeuwen het middel bij uitstek om lijden, verdriet, dood en verwante begrippen te verklanken. De opeenvolging van halve tonen verstoort immers de normale orde van het melodisch verloop: er is geen duidelijke richting meer, geen houvast, het harmonisch en melodisch gestel wankelt. We hadden al een mooi voorbeeld van tekstinterpretatieve chromatiek in het motet Vox in Rama van Giaches de Wert. Liszt trekt dit tot het uiterste door: de chromatische noten blijven niet beperkt tot één of enkele passages of stemmen, maar ze zijn van begin tot einde alomtegenwoordig.

In het midden van het stuk pauzeert de rechterhand (10’09”) en daalt de linkerhand af tot de uiterste diepten van het klavier – en blijft daar ronddwalen terwijl de rechterhand het dodenmarsritme terug opneemt (10’24”). Liszt noteert hier: sotto voce (‘gedempt’) en pesante (‘zwaarwichtig’).

 

Aansluitend volgt een passage waarin de chromatiek triomfeert: in elk akkoord is elke noot chromatisch ‘gekleurd’, het toppunt van tristesse (11’24”).

 

Tot slot klinkt de muziek via een diminuendo (piano wordt pianissimo) uit (12’16”) naar een absolute stilte (de slotmaat is een rust met een fermata, een halve cirkel met een punt: de duur van de rust is onbepaald…).

Met Il penseroso schreef Liszt geschiedenis. Twintig jaar later componeerde Richard Wagner zijn opera Tristan und Isolde (1856-1859). Het instrumentale voorspel is wereldberoemd door het systematisch gebruik van chromatische harmonie. Over het begin – het fameuze ‘Tristanakkoord’ – is een halve bibliotheek volgeschreven! Het is en blijft een baanbrekende compositie, maar het is overduidelijk dat Wagner de mosterd haalde bij Liszt, die in Il penseroso de expressieve mogelijkheden van de chromatische harmonie op de spits drijft.

 

Ignace Bossuyt

 

 

Uitvoering bovenaan: Il penseroso, uitgevoerd door Lev Vinocour in Passau, met een beeldmontage van Spirkart (2017).

 

Uitvoering hieronder: uitvoering van de volledige cyclus Années de pèlerinage. Italie door de Hongaarse pianist Jenö Jandó, met meeschuivende partituur – Il penseroso: 8’16”-13’16”.

Partituurhttps://imslp.org/wiki/Ann%C3%A9es_de_p%C3%A8lerinage_II%2C_S.161_(Liszt%2C_Franz)  (originele uitgave van 1858, p. 8-9 – tussen p. 7 en 8 staat een tekening van Michelangelo’s Il penseroso en het kwatrijn)

Michelangelo: Il penseroso (Lorenzo II de Medici (1521-1534))

De duur van de rust is onbepaald”. Zo geeft Liszt het aan: een rust met fermata. Wellicht was het dit gevoel van oneindige tijd dat Liszt overviel toen hij in de funeraire Medici-kapel stond en het beeld van Lorenzo de Medici zag. De hertog van Urbino zit met de benen gekruist en ondersteunt zijn hoofd met de linkerhand. Zijn rechterhand ligt geplooid op zijn bovenbeen en zijn helm overschaduwt zijn gelaat. Hij is in gedachten verzonken. En de tijd loopt gestaag verder. Iedere dag is er de morgenstond en ’s avonds sluit de avondschemering de dag af. De contemplatie overheerst.

 

Aan de overkant van de kapel, ondersteund door de dag en de nacht, zit de statige Giuliano, oom van Lorenzo en hertog van Nemour. De man zit fier rechtop, de commandostaf in de hand. Hij staart in de verte en door de houding van zijn voeten lijkt hij klaar om krachtdadig op te springen.

Grabmal_von_Giuliano_II._de_Medici_(Mich
Grabmal_von_Lorenzo_II._de_Medici_(Miche

Lorenzo staat symbool voor het contemplatieve leven. Giuliano neemt het actieve leven voor zijn rekening. Beide hertogen zitten als twee tegenpolen tegenover elkaar in deze indrukwekkende funeraire kapel, ook wel de “Nieuwe Sacristie” van de Basilica di San Lorenzo genoemd. Voor de nissen met de hertogelijke beelden staat de sarcofaag. We maakten er al allusie op: Morgenstond en Avondschemering begeleiden Lorenzo, Dag en Nacht ondersteunen Giuliano. De allegorische figuren steken buiten de randen van de sarcofaag uit en doen al denken aan latere barokke opstellingen. Was Michelangelo hier zijn tijd al even vooruit?

De San Lorenzo was de parochiekerk van de Medici en in 1520 krijgt Michelangelo (1475 – 1564) de opdracht voor het bouwen van een grafkapel. Lorenzo, hertog van Urbino, sterft jong in 1519. Zijn oom Giuliano was reeds in 1516 gestorven en beiden zouden in deze kapel hun laatste rustplaats krijgen. De grafmonumenten van hun naamgenoten Lorenzo Il Magnifico en zijn broer Giuliano van een generatie eerder en de geplande schilderingen op de wanden blijven onvoltooid.

 

Onnodig te zeggen dat de bouw van deze grafkapel een belangrijke opdracht en uitdaging is voor Michelangelo. Het is zijn eerste architectonisch werk en wanneer we in de kapel staan merken we dat hij de architectuur bedenkt als omkadering voor zijn indrukwekkende beelden. Het lijkt er op dat hij de architectuur ook als beeldhouwwerk bekijkt. De blinde nissen op de gelijkvloerse verdieping geven een ingesloten gevoel. Pas als je de eerste verdieping en de koepel bekijkt schemert er wat licht –en dus hoop– door. Morgenstond en Avondschemering, aan de voeten van Il penseroso Lorenzo, vormen de overgang van dag naar nacht en nacht naar dag, net zoals de grafkapel zelf de overgang van leven naar dood en een hiernamaals aanwezig stelt.

 

Zoveel is zeker: er zit heel wat symboliek in deze indrukwekkende plek. We spreken zacht zoals Michelangelo het in zijn gedicht vraagt en brengen de woorden in herinnering van Giorgio Vasari (1511-1575) die aan de allegorische beelden terugdenkt:

... deze beelden zijn zo prachtig van vorm en van houding, de spieren zijn zo kunstig weergegeven, dat, mocht de kunst ooit verloren gaan, zij gevieren in staat zouden zijn haar tot haar voormalige luister te doen terugkeren”.

 

Jo Haerens

Kunstontmoetingen is een niet-commercieel en educatief initiatief om in gezelschap van geïnteresseerde vrienden te genieten van kunst, muziek en architectuur via lezingen, cursussen, wandelingen of uitstappen.

  • Facebook

Volg ons op facebook

© 2021 Kunstontmoetingen