Zoeken

QUODLIBET bij BACH, GIJSBRECHTS en van HOOGSTRATEN

17 december 2020


We slaan er een kunstwoordenboek uit 1858 van P. Weiland op na (zie bv. dbnl):

QUODLIBET, (van Quod, wat, en Libet, belieft of behaagt), zamengesteld, een zamengesteld ding, een mengelmoes. Men verstaat daardoor eene schilderij, eene teekening, een geschrift, waarin vele zeer ongelijksoortige voorwerpen, zonder merkelijke betrekking op elkander, daargesteld worden.”


De titel “quodlibet” brengt ons bij Cornelis Norbertus Gijsbrechts (1625/1629-1683). Over Gijsbrechts leven bestaan nog veel vragen. We situeren hem tussen 1625/1629 en 1683 (?). Hij wordt te Antwerpen geboren en in de jaren 1659 en 1660 wordt hij in de archieven van de Sint-Lucasgilde opgenomen. Daarna werkt hij in Regensburg en Hamburg. Zijn faam als schilder brengt hem aan het hof van de Deense koning Frederick III en Christian V. We zien hem ook nog actief in Stockholm en Breslaw.

Een schilderij met enkele zelfportretten zet ons direct al op het juiste spoor naar een “quodlibet”: Trompe l’oeil met atelierwand en Vanitas stilleven (1668). Het werk wordt bewaard in het Statens Museum for Kunst in Kopenhagen. Het is een mooi voorbeeld van de kunstgrepen die de schilder in zijn werk uithaalt. Tegen de houten wand van zijn atelier schildert Gijsbrechts op een deels loshangend doek een prachtig vanitas tafereel. Het lijkt wel alsof hij er niet tevreden over is en het werk weer van de wand wil halen. Door schilderijen in het schilderij af te beelden speelt hij met onze waarneming (klik op het detail van het zelfportret voor een hoogresolutieweergave).


De klassieke attributen van ijdelheid en vergankelijkheid staan rond de schedel opgesteld: de rook kringelt op uit de uitgeblazen kaars op de kandelaar, de zandloper ligt vooraan op de tafel, de spiegel zien we links. De viool en de pijp achter de schedel rechts verwijzen naar de genoegens van het leven. Op de houten wand echter verwijst alles naar Cornelis’ leven als schilder: zijn kleurrijk palet, verfborstels en verfstok, doekjes en flesjes met bindmiddel. Opvallend zijn de kleine zelfportretjes die wel buiten de tijd lijken te staan. Samen met zijn schilderkunst zal hij over de dood heen verder blijven “leven”. Dit lijkt wel de boodschap die hij ons wil brengen. In een werk van Gijsbrechts is niets wat het lijkt te zijn. Hoe nieuw moet het volgend schilderij in de 17de eeuw wel niet geweest? Bijna hedendaags, conceptueel zou je het kunnen noemen: Trompe l’oeil. De achterzijde van een ingelijst schilderij (1668-1672). Het schilderij laat de achterkant van een denkbeeldig schilderij zien. Vergis je niet! Je ziet geen foto van de achterkant van het schilderij, maar Gijsbrechts schildert de achterkant met uiterste zorg en oog voor detail, zoals de nageltjes, het doek, de houtnerven, de pen-en-gat verbindingen van het kader,...


Zie bv. dit detail van het zegel op het inventarisnummer. Klik op het beeld voor een hoogresolutieweergave om alle details te zien .


Tijd om terug te keren naar ons beginpunt! In het Keulense Wallraf-Richartz Museum wordt Gijsbrechts' Quodlibet (1675) bewaard. Opnieuw zien we de houten achterwand die we uit het eerste werk al kennen. Nu hangen er aan een haak een reeks verzegelde brieven en een blauw vel papier. Een rode horizontale riem wordt als extra houder gebruikt. Verder voegt hij nog twee kammen en onderaan links een penhouder toe. Het lijkt wel een hoekje uit zijn atelier waar hij “voorlopig“ alles even weglegt. Wie weet hoe lang alles er al ligt en zal blijven liggen? Maar net zoals we in de muziek van Bach het quodlibet niet mogen afdoen als een lukraak samenraapsel van melodietjes, zien we ook hier een meester aan het werk in een schijnbaar wanordelijk geheel. Hij beheerst de techniek van het trompe l’oeil en het werk, opgebouwd uit toevallig samengebrachte ingrediënten, groeit door zijn technisch meesterschap uit tot een intrigerend geheel.

Samuel van Hoogstraten (1627-1678), een tijdgenoot van Gijsbrechts uit de Noordelijke Nederlanden is net als Cornelis een meester in de quodlibet werken en de techniek van het trompe l’oeil. Bekijken we maar Brievenbord. London anno 1664. We vinden er nu drie rode riemen dwars over het werk geschilderd waarachter en waarop we sporen uit zijn dagelijks leven vinden. Kammen, speldenkussen en schaar, juwelen die met sierlijke strikjes aan de riemen zijn vastgemaakt. Verder zijn er schrijfveer en schriftjes waarop de datum “anno 1664” en London vermeld staan. Links op het tafereel zien we een medaillon van keizer Ferdinand III. Ongetwijfeld een herinnering aan een belangrijk moment in het leven van Samuel: tussen 1651 en 1654 maakt de schilder een reis naar Duitsland en Wenen. Hij krijgt er van de keizer een gouden medaille voor een trompe l’oeil stilleven.


Met zijn theoretisch werk Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst: anders de zichtbaere werelt (1678) levert van Hoogstraten een grote bijdrage aan de schilderkunst. In niet minder dan negen “leerwinkels” wil hij zijn kennis doorgeven: “voor alle die deeze edele, vrye, en hooge konst oeffenen, of met yver zoeken te leeren, of anders eenigzins beminnen. “

En dat hij iets te vertellen heeft blijkt maar al te zeer uit zijn verrassende quodlibets. Stillevens die we zo graag tot leven zouden willen wekken en die – zoals het een quodlibet betaamt– onze fantasie prikkelen! Jo Haerens

3 keer bekeken