Storm op zee bij Benjamin Britten, Antonio Vivaldi, Georg Philipp Telemann en Marin Marais
Zowel in de muziek als in de plastische kunsten is het losbreken van de natuurelementen een dankbaar thema voor virtuoos geschilderde stormscènes of even virtuoze instrumentale of vocale composities. In de barokopera staat de storm op zee symbool voor liefdesperikelen en wraakgevoelens. Vaak wordt de ongelukkige of jaloerse minnaar vergeleken met een bootsman in de storm, die dan (meestal) de veilige haven bereikt. De storm kan ook verwijzen naar een andere - niet met de liefde verbonden - psychische toestand waarin een personage zich bevindt. Dit is het geval in de opera Peter Grimes waarmee Benjamin Britten (1913-1976) zich in 1945 profileerde als de componist die de Engelse opera nieuw leven inblies, meer dan twee eeuwen na Henry Purcell (1659-1695). Het is een extreem tragisch verhaal over de visser Peter Grimes die door de lokale gemeenschap wordt verstoten nadat hij verantwoordelijk werd gesteld voor de mishandeling en de dood van twee knechten die hij in dienst had. Hij wordt tot waanzin gedreven en uiteindelijk op een boot geplaatst en in zee gedreven waar hij zinkt.

Britten verbindt de scènes met zes descriptieve orkestrale tussenspelen, waarvan hij er vier bundelde in een suite onder de titel Four sea interludes: Dawn, Sunday morning, Moonlight en Storm. Het zijn meesterlijk georkestreerde stukken in een gematigd moderne muzikale taal. Storm, de vierde ‘interlude’ , komt in de opera in het eerste bedrijf tussen de eerste en de tweede scène, wanneer een aantal dorpelingen aan het strand staat en de gespannen toestand bespreekt na het overlijden op zee van Grimes’ vissersleerling. Er steekt een storm op en iedereen trekt zich terug in de pub. Peter Grimes blijft alleen achter.
De bezetting is voor een uitgebreid orkest: 2 dwarsfluiten, 2 piccolo’s, 2 hobo’s, Engelse hoorn (althobo), 3 klarinetten, 2 fagotten, contrafagot, 4 hoorns, 3 trompetten, 3 trombones, tuba, pauken, grote trom, kleine trommel, bekkens, harp en strijkers. Als tempo schrijft Britten voor: Presto con fuoco (‘Zeer snel en met vuur’).
Er zijn twee basismotieven:
Bij het begin roept een heftig motief in de strijkers, ondersteund door de pauken en de blazers, de woeste storm op . Het komt verder terug op 1:20, op 2:10 en op het einde als een crescendo ter afsluiting (4:17).
Een tweede motief, vol dreiging, chromatisch in de trombones (0:53) en in de trompetten (1:02).
Precies in het midden (2:25) verstilt de storm en breekt de zon even door. Op dit punt reflecteert Grimes over een mogelijke vredevolle toekomst: de strijkers herhalen een lyrisch thema waarop Grimes voorheen zong: What harbor shelters peace, away from tidal waves, away from storms? (‘Welke haven brengt rust, weg van de vloedgolven en weg van de stormen?’). Wanneer hij op het einde van de opera met zijn boot zinkt, zijn dit ook zijn laatste woorden. Tot slot neemt de storm weer de bovenhand met een crescendo vanaf 4:17 op het eerste motief.
Een adembenemend en verpletterend stuk muziek.
Uitvoering (zie hierboven): https://www.youtube.com/watch?v=9gk3x58-YRI
(Milwaukee Symphony Orchestra, o.l.v. Ken-David Masur)
Laten we nog even de barokperiode verkennen, waarin storm en onweer zo geliefde thema’s zijn, in de opera (instrumentaal en vocaal), maar ook in puur instrumentale genres zoals het concerto en de orkestsuite.
Antonio Vivaldi (1678-1741) componeerde een aantal concerti met programmatische titels, zoals de overbekende Quattro stagioni (‘De vier jaargetijden’). Die verschenen in 1725 in Amsterdam als de eerste vier concerti in een uitgave met twaalf concerti voor viool (opus 8). Ook in het vijfde concerto liet Vivaldi zich inspireren door de natuur: het kreeg als titel La tempesta di mare (RV 253) (‘De storm op zee’), wat uiteraard paste bij de stad Venetië. Van dit concerto zijn nog twee alternatieve versies bekend: een voor traverso (vaak ook uitgevoerd op blokfluit) en een met meerdere solisten: traverso (of blokfluit), hobo, viool en fagot. Het concerto voor traverso (RV 433) verscheen als eerste nummer van een reeks van zes concerti, uitgegeven in Amsterdam in 1729 (opus 10). Diezelfde bundel bevat ook het concerto Il Gardelino (RV 428), dat ik besprak in het nr. 4 van de eerste reeks. Het concerto voor meerdere solisten (RV 570) werd niet uitgegeven.
Zoals gebruikelijk bij Vivaldi zijn die concerti alle driedelig (snel, langzaam, snel). De hoekdelen roepen de storm op, terwijl het middendeel enige rust brengt. De vaste ingrediënten van een storm in de muziek zijn het snelle tempo (presto: ‘zeer snel’), opzwepende, op- en neergaande strijkersfiguren en virtuoos solospel.
Uitvoeringen:
Viool (RV 253): https://www.youtube.com/watch?v=Kx9P672xjdg. Met meeschuivende partituur van de vioolpartij in de originele uitgave (de solist speelt in een concerto ook mee in de tuttifragmenten voor het hele ensemble)
Traverso (RV433): https://www.youtube.com/watch?v=0_v1Od8eM8w. Live-uitvoering.
Meerdere solisten (RV 570): https://www.youtube.com/watch?v=XefDn4X7kxQ. Live-uitvoering, zie hieronder.
Een tijdgenoot van Vivaldi die eveneens verzot was op programmatische stukken was Georg Philipp Telemann (1681-1767). Hij laste af en toe een ‘tempête’ in zijn suites in, orkestwerken samengesteld uit dansen, abstracte delen met tempoaanduidingen en karakterstukken.

Twee voorbeelden:
La Tempête uit de Suite in F (TWV 55 F 16), voor strijkers, twee hoorns en basso continuo https://www.youtube.com/watch?v=C4_sC74q7Q4. Met meeschuivende autografische partituur, (uit 1765, zijn 84ste levensjaar).
Hamburger Ebb und Flut (TWV 55 C 3), de Wasser-Ouvertüre, voor 2 hobo’s (of 2 fluiten), fagot, strijkers en basso continuo, die Telemann in 1723 componeerde naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van de Hamburgse admiraliteit, het bestuur van de haven. De delen zijn vooral genoemd naar mythologische watergeesten en hun activiteiten: een daarvan is Der stürmende Aeolus, de god van de wind die het water opzweept.https://www.youtube.com/watch?v=mQInGcUxCrc. Live-uitvoering, zie hieronder.
Ik sluit af met een van de beroemdste stormen uit de Franse barokopera: La Tempête uit de opera Alcyone (1706) van Marin Marais (1656-1728), een instrumentale stormscène die als voorbeeld diende voor veel latere Franse componisten en een ware tempête-rage veroorzaakte! Het stuk verwekte sensatie, onder meer door het gebruik van de contrabas, een van de eerste keren dat dit instrument in het operaorkest optrad. Volgens een ooggetuige was het effect ‘wonderbaarlijk’, waarbij de baspartij was versterkt met ‘rommelende trommen, die een luguber geluid voortbrachten’, in samenspel met ‘schrille tonen in de violen en de hobo’s' , zodat men ‘al de razernij en de verschrikking van de ruwe zee kon voelen en van de razende wind die huilde en floot, kortom van een ware indrukwekkende storm’.

Oordeel zelf, in een van de live- uitvoeringen van Jordi Savall (met windmachine):
https://www.youtube.com/watch?v=cFda-_K_tNQ (op 6:37) of https://www.youtube.com/watch?v=1yItpKx7KBs, zie hieronder
(Zie voor Marin Marais ook reeks I, nr. 13).
Naast de storm, verbonden met de zee, zijn er ook talrijke voorbeelden van een onweer (orage), eveneens populair in de Franse barokopera en uiteraard vooral bekend uit Vivaldi’s Vier jaargetijden (De zomer) en Beethovens Symfonie nr. 6, de Pastorale. De onweren sparen we op voor een latere bijdrage.
.
Ignace Bossuyt
Het Mysterie van De Grote Golf
Benjamin Britten laat de zeestorm in alle hevigheid op ons los. Maar ook de context van het vissersverhaal waarvoor Britten onder meer Storm componeerde roept het beeld op van De Grote Golf bij Kanagawa, een houtsnede van Katsushika Hokusai. (1760- 1849). Het wordt een dialoog waar West en Oost elkaar vinden.
De Grote Golf bij Kanagawa, wereldwijd bekend als De Grote Golf van Hokusai, is wellicht de beroemdste Japanse houtsnede uit 1830-1831. Het beeld van een kolossale golf die dreigend boven kleine vissersboten uitsteekt, met de Fuji-berg op de achtergrond, is niet alleen esthetisch indrukwekkend, maar roept ook een gevoel van mysterie en verwondering op. Dit werk is een perfecte illustratie van de Japanse ukiyo-e-traditie: een vorm van houtsneden uit Japan, die ook in Europa populair werd en een grote invloed had op de Europese kunstwereld van het fin de siècle. Het woord "ukiyo" verwijst naar de wereld van de mensen, en "e" betekent "afbeelding". Ukiyo-e beeldde oorspronkelijk het dagelijks leven uit van mensen die in de late zestiende eeuw in de stad Kyoto woonden . Het werd een populaire kunstvorm in de Edo-periode (1603-1867), mede dankzij de vooruitgang in de houtblokdruktechniek. Hokusai werkte samen met ervaren bloksnijders en drukkers, die het ontwerp nauwgezet overbrachten op hout en vervolgens in verschillende kleuren drukten. Vaak wordt ukiyo-e ook vertaald als de "prenten van de vlietende wereld", met vlieten in de betekenis van vluchtig voorbijgaan als stromend water. In het Japan van de Edo-periode was ukiyo-e razend populair en het stelde kunstenaars in staat om hun werk in grote oplage te verspreiden.
Katsushika Hokusai: het leven achter de prent
Katsushika Hokusai werd geboren in 1760 in Edo, het huidige Tokyo. Als kind werd hij in Tokyo geadopteerd door een familie van spiegelmakers en hij leefde met zijn familie in een ambachtswijk met smalle straten en houten huizen. Hij verdiende al jong de kost door boeken tegen betaling uit te lenen. Hokusai werkte zich op als leerling in verschillende ateliers, waar hij kennismaakte met houtsnede-technieken en de kleurrijke wereld van de ukiyo-e. De prenten kenden een groot succes en we kunnen zeker Hokusai als vernieuwer beschouwen. In tegenstelling tot veel van zijn collega’s veranderde hij in zijn prentkunst regelmatig van stijl.
Toen hij 70 jaar werd had hij enorm veel geproduceerd. Hij was moe en keek uit naar welverdiende rust. Het noodlot sloeg helaas toe: zijn vrouw overleed en zijn kleinzoon vergokte het geld van zijn grootvader. Hokusai werd arm en samen met zijn dochter moest hij zijn huis verlaten en kreeg onderdak in een tempel. Hij besliste de draad terug op te nemen en ging terug aan het werk. In deze periode van zijn leven speelde De Grote Golf de hoofdrol.
Ondanks zijn successen bleef Hokusai bescheiden en toegewijd aan zijn werk. In 1849 zei de 90-jarige Hokusai op zijn sterfbed:
Als ik nog vijf of tien jaar had mogen leven, dan kon ik een echte kunstenaar worden.
Een duik in de Golf
De Grote Golf bij Kanagawa is een houtsnede van beperkte afmetingen: 38 x 25 cm. De prent maakt deel uit van een serie van 36 gezichten op Mount Fuji. Samen met zijn uitgever besliste de 70-jarige Hokusai om de “heilige” Fuji-berg centraal te stellen. Aangezien er in die periode 600 prentenmakers en 400 uitgevers in Tokyo actief waren, wilde Hokusai de concurrentie voor zijn. Hiervoor besliste hij gebruik te maken van Pruisisch blauw, een pigment dat pas kort daarvoor uit Europa werd geïmporteerd. Daardoor kon hij de zee haar intense, verzadigde kleur geven, die de dramatiek van het tafereel versterkte. De druktechniek van de houtsnede vereiste precisie en vakmanschap: elke kleur werd apart aangebracht met een eigen blok, wat zorgde voor een gelaagd effect en subtiele nuances.
De abrupte afsnijding van de compositie, met slechts een deel van de golf zichtbaar, vergroot de dramatiek en trekt de kijker direct in het verhaal binnen. De golf wordt voorgesteld als een reusachtig monster, waarvan het schuim zich als klauwen uitstrekt naar de vissersboten en de berg Fuji. Zelfs Fuji, het symbool van stabiliteit en voorspoed in de Japanse cultuur, lijkt klein en kwetsbaar onder het geweld van de natuur. De vissers in hun boten verbeelden de nietigheid van de mens tegenover de ongetemde kracht van de natuur. Het werk roept vragen op over de verhouding tussen mens en natuur, over controle en overgave, en over het lot en de vergankelijkheid. Soms wordt zelfs gesuggereerd dat de prent als een soort zelfportret van Hokusai kan gelezen worden.
Een meer prozaïsche lezing van de prent vertelt het verhaal van de moedige vissers in het Bonito-seizoen. De Bonito is de eerste tonijnsoort van het jaar en kan in de lente gevangen worden. Deze vis is een delicatesse in Tokyo en de vangst brengt de vissers veel geld op. Ze nemen dan ook grote risico’s om zo snel mogelijk de vis te vangen en op de markt te koop aan te bieden.
Terug naar het Westen
Toen Japan in de tweede helft van de 19e eeuw haar grenzen opende, raakten Europese kunstenaars gefascineerd door Japanse prenten. Het zogenaamde Japonisme bracht een golf van inspiratie teweeg, vooral onder impressionisten als Claude Monet en Vincent van Gogh. Monet bezat een exemplaar van De Grote Golf en liet zich inspireren door de compositie en het kleurgebruik voor zijn eigen landschappen en waterlelies. De platte kleurvlakken en abrupte afsnijdingen boden een ontsnapping aan de traditionele regels van perspectief die Europa tot dan toe kende.
Van Gogh schreef in zijn brieven over de invloed van Japanse kunst op zijn werk en bewonderde het vermogen van Hokusai om de essentie van een moment te vangen. De dynamiek van de luchtturbulenties in 'De Sterrennacht' is hier een mooi voorbeeld van.
De Grote Golf werd zo een brug tussen oost en west, en inspireerde generaties kunstenaars om nieuwe wegen te bewandelen. Het impressionisme, met zijn focus op licht, kleur en directe waarneming, weerspiegelt veel van de principes die Hokusai in zijn prenten toepaste.
Sinds haar ontstaan is De Grote Golf wereldwijd verspreid en gekoesterd. Veel originele exemplaren zijn verloren gegaan door gebruik en door de tijd, maar de prent blijft een van de meest gereproduceerde en herkenbare kunstwerken ter wereld. In Zuid-Londen schilderde Domenic Swords een mural met De Grote Golf, waarmee het werk opnieuw tot leven komt in een hedendaagse context. Hij voegt er een element aan toe: de Fuji-berg lijkt te ontploffen, een verwijzing naar de dreiging van een atoomoorlog of de ramp van de Fukushima-atoomcentrale.
Moderne kunstenaars, ontwerpers en zelfs modehuizen grijpen terug naar de iconografie van Hokusai om hun projecten kracht en herkenbaarheid te geven.
Na bijna 200 jaar heeft De Grote Golf nog niets aan kracht verloren.
Jo Haerens








