Henry Purcell, Draw near - Kom dichterbij
We maakten al kennis met de muziek van Henry Purcell (1659-1695) in de grandioze, ‘onsterfelijke sterfscène’ uit zijn enige opera Dido and Aeneas (Reeks II, 3). Naast muziek voor het theater, religieuze werken voor de anglicaanse eredienst, odes voor het koninklijk hof en instrumentale muziek componeerde hij ook ca. 150 Engelse songs, een boeiend repertoire van sololiederen voor het huiselijk musiceren. Het centrale thema is de liefde in haar meest uiteenlopende uitingen.

Engeland kon bogen op een rijke traditie van het lied, dat varieerde van dansachtige strofische liederen op luchtige verzen, via declamatorische songs waarin de tekst meer als een op de spreektaal geënt recitatief werd uitgewerkt, tot uitgebreide virtuoze composities die beïnvloed zijn door de Italiaanse cantate. Purcell verrijkt elk subtype met meesterlijke staaltjes.
Hij voelt zich vooral als een vis in het water in extreem dramatische liefdesklachten, zoals in het lied Draw near, you lovers that complain voor solostem en basso continuo. De dichter Thomas Stanley (1625-1678) publiceerde zijn tekst onder de titel The Exequies (‘De uitvaart’). Het is de klacht van een overledene die vanuit het graf de minnaars toespreekt.
DRAW NEAR (Z462)
(Hierbij de spelling uit de originele uitgave van 1651)

Het gedicht bestaat uit drie identieke strofen. De toonzetting is bewust niet strofisch. Indien Purcell voor deze eenvoudige structuur zou kiezen, zou elke strofe op dezelfde muziek zijn, wat de componist de mogelijkheid zou ontnemen om per strofe expliciete tekstexpressieve accenten te leggen. Als expert in muziek voor het theater is Purcell er uiteraard op uit de dramatiek van de liefdesklacht zo sterk mogelijk te doen overkomen. Dat doet hij meesterlijk aan de hand van subtiele melodische, ritmische en harmonische ingrepen. Ik selecteer er enkele uit de vele.
Het vertrekpunt van Purcells toonzetting van het gedicht Draw near is de declamatorische voordracht, naar het model van het Italiaanse recitatief. Dit betekent een retorisch geladen imitatie van de spreekstijl, met als basis één toon per lettergreep en geen tekstherhalingen. Dit basisprincipe doorbreekt Purcell wel geregeld om bepaalde woorden te benadrukken, zoals door meerdere noten op één lettergreep en woordherhalingen, al blijven die beperkt (zoals de herhaling van de dwingende oproep weep in de slotstrofe).
In zijn tijd werd Purcell geroemd om zijn talent om de Engelse taal zo op muziek te zetten dat de toehoorder in het diepste van zijn ziel werd geraakt. In het voorwoord van de postume tweedelige editie met Purcells liederen, Orpheus Britannicus, typeert de uitgever Henry Playford (ca. 1657-1707) de componist als volgt:
He was particular admir’d for his Vocal, having a peculiar Genius to express the Energy of English Words, whereby he mov’d the Passions as well as caused Admiration in all his auditors (‘Hij werd vooral bewonderd voor zijn vocale muziek om zijn bijzondere aanleg om de kracht van de Engelse taal weer te geven, waarbij hij zijn publiek in het hart wist te treffen en ieders bewondering afdwong’).
Die Energy of the English Words is vooral merkbaar in een typische ritmische ingreep die de muziek een extra dynamiek verleent, namelijk de opeenvolging van een korte en een lange noot. Zie bijvoorbeeld in maat 2 op lovers, in maat 4 op ashes...

Kenmerkend voor een recitatief is de toonherhaling, ook weer een verwijzing naar de nabootsing van de spreekstijl. Purcells recitatief is echter melodisch bijzonder rijk en afwisselend, met als resultaat een doorlopende op- en neergaande beweging die de tekst inhoudelijk en emotioneel op de voet volgt:
De eerste zin is daarvoor al exemplarisch: na Draw near stijgt de melodie direct naar een melodisch hoogtepunt op you lovers, de personen tot wie de overledene zich richt. Van daaruit daalt de melodie naar het ‘negatieve’ eindpunt fortune and disdain.
Een melodisch opmerkelijke passus is de zin Of all love’s cruelties and beauty’s pride. Purcell raakt hier de dramatiek bijzonder intens: na de lang aangehouden toon op all (de hoogste toon van het stuk) stort de melodie via love’s naar de absolute diepte op cruelties, om daarna met een heftige sprong op te stijgen naar beauty’s pride: trots, of, letterlijk ‘hoog-moed’! Verder daalt de melodie opnieuw naar een dieptepunt op sacred silence. De voorbeelden zijn legio.
Een belangrijke ingreep met het oog op het oproepen van een negatief affect is de verlaging van een toon door toevoeging van een bemol. Ik citeer twee opvallende passages:
In de eerste strofe op whose cold embraces the sad subject hide (‘Waarvan de koude omhelzing het trieste slachtoffer verbergt’), uiteraard ingegeven door de woorden cold en sad. Let ook op het lage register en op de halve tonen in de basso continuo (la – si mol – si).
In de derde strofe op Forsaken cypress, and sad yew (‘Verloren cipres en trieste taxus’), met de woorden forsaken en – alweer – sad.
De slotfrase Here lies to Love and Fate an equal sacrifice is een bijzonder ontroerend moment: de melodie daalt over een octaaf en, vooral, Purcell herhaalt die zin en voegt er verrassend een tweede stem aan toe (bas), als een supplementaire ‘geest’ die de eerste ondersteunt in de aanbevolen oproep ‘Hier ligt een offerande, tegelijk gebracht aan de liefde en het lot’. Magnifiek.
Luister twee, drie, vier... keer naar dit wonderbaarlijk schitterende pareltje...
Ignace Bossuyt
Als toemaatje, een verhelderende tekst over het gedicht. Met dank aan Erik Hertog, prof. em. KU Leuven Campus Sint-Jacob.
POEMS, BY THOMAS STANLEY ESQUIRE
Printed in the Year, 1651.
The Exequies
DRaw neer
In de 17e eeuw ontstond in Engeland een stevige reactie tegen de traditioneel elegante en eerder artificiële natuur- en liefdeslyriek. De nieuwe generatie dichters, zoals John Donne, George Herbert of Andrew Marvell, ging voor een krachtige, argumentatieve stijl. Turbulente ervaringen – liefde-dood – of contrasterende werelden – wetenschap-religie – werden onderworpen aan spitsvondige reflecties die steeds een soort existentiële ondergrond opriepen. Niet verwonderlijk dat ze algauw het label ‘Metaphysical Poets’ opgeplakt kregen. Ze experimenteerden met typografie en layout, zochten effecten met elliptische zinnen, bruuske ritmiek, onverwachte vergelijkingen of metaforen, (ver)gezochte formuleringen en woordspelingen, allemaal met het doel de lezer te bruuskeren tot nadenken. Met een voorkeur voor eerder korte(re) gedichten maken ze graag direct hun punt.
Thomas Stanley (1625 –1678) was een van de latere ‘Metaphysicals’. Hij is beslist minder krachtig en wat meer voorspelbaar dan zijn grote voorgangers, maar toch ziet men ook in DRaw neer [eigentijdse spelling] nog enkele typische componenten van de ‘Metaphysical’ stijl: het gaat over leven en sterfelijkheid, begint, zoals vaak, met een gebiedende exhortatie (hier aan het begin van elke strofe) als inzet van de persoonlijke argumentatie die onderbouwd wordt met een verrassende, onregelmatige strofestructuur, zij het in een strak rijmschema. Ondanks het bevel dat er slechts zacht gezucht en stil geweend mag worden bij het graf, en geen oneerbiedig gezang de stilte mag doorbreken, is Purcell de uitdaging toch aangegaan.
Uitvoering: https://www.youtube.com/watch?v=RfpXq14RDfY. Uitstekende vertolking door Barbara Bonney (sopraan) en Michael George (bas), met The King’s Consort, o.l.v. Robert King.
Partituur: https://imslp.org/wiki/Draw_Near,_You_Lovers,_Z.462_(Purcell,_Henry) – vergeet de toegevoegde pianopartij, dit is een later konterfeitsel van de uitgever!
Heilige stilte en zwijgend verdriet
De intense klanken van het lied deemsteren langzaam weg en wat achterblijft is een diepe emotie van verdriet, heilige stilte en toch, ondanks alles, aan het slot een sprankeltje liefdevolle hoop en ondersteuning. Het lijkt alsof de muziek de nabestaande aanmoedigt om verder te gaan, hoe zwaar het ook valt.
Elke strofe van het lied vertolkt één van de emoties waarop we met beelden een antwoord willen geven, welbewust van het risico dat elk beeld de intensiteit van de muziek moeilijk kan evenaren. Misschien kunnen de beelden wel een extra dimensie toevoegen, zonder de intense kracht van het lied te overschaduwen. Beluister, lees en bekijk de dialoog als een samenspel waarin verdriet, stilte en hoop met elkaar verweven worden.
Pleng een traan op mijn as
Smelt het harde marmer met uw kermen
William Welmore Story, Angel of Grief, 1894
William Wetmore Story wordt in 1819 geboren in Salem Massachusetts (USA) en overlijdt in 1895 in het Italiaanse Vallombrosa. Hij is de zoon van Joseph Story, rechter bij het Amerikaanse Hooggerechtshof en in de voetsporen van zijn vader behaalt ook hij in 1840 zijn rechtendiploma. Story blijft ongeveer vijf jaar advocaat. Het is een periode waarin hij intellectueel engagement opneemt en juridische handboeken schrijft, maar ook interesse heeft voor kunst en literatuur. Reeds op jonge leeftijd schrijft hij gedichten en laat hij zich inspireren door klassieke en romantische stromingen, wat later een belangrijke invloed zal hebben op zijn artistieke ontwikkeling.
Zijn artistiek talent ziet hij eerder als een hobby en hij volgt aanvankelijk geen kunstonderwijs. Daarin komt er verandering als William na de dood van zijn vader, in 1846, de opdracht krijgt om een gedenkbeeld voor zijn vader te ontwerpen. Om zich beter voor te bereiden op dit project, vertrekt Story naar Italië om zich te verdiepen in de beeldhouwkunst. Daar groeit zijn passie voor sculptuur en begint er een nieuw hoofdstuk in zijn leven, waarin hij zich volledig toelegt op het creëren van monumentale en emotioneel geladen kunstwerken
In 1856, na een korte terugkeer naar Boston, geeft hij de advocatuur op en vestigt zich in Rome, waar hij zich aan de beeldhouwkunst wijdt. Zijn atelier in Rome is tevens een soort literair salon, dat druk bezocht wordt door zijn vrienden, auteur en diplomaat Nathaniel Hawthorne, James Russell Lowell en Henry James, die later Story's biografie zou schrijven.
Eén van Story's belangrijkste sculpturen, is een beeld van Cleopatra (gestart in 1858 en afgewerkt in 1869) dat bewaard wordt in het Metropolitan Museum of Art in New York. Hawthorne gebruikte dit werk als inspiratiebron voor het werk van een fictieve kunstenaar in zijn roman The Marble Faun.
Bij het overlijden van zijn vrouw Emelyn in 1894 maakt William na aandringen van zijn kinderen Angel of Grief (De Engel van Verdriet) dat als grafmonument op de Protestantse Begraafplaats in Rome opgesteld staat, waar ook William in 1895 wordt begraven. De volledige titel van het werk vertolkt de wanhoop: De Engel van Verdriet Weent over het Ontmantelde Altaar des Levens.
Een levensgrote engel ligt gebogen over een stenen altaar. Het voorhoofd rust op de ene arm terwijl de andere arm over de rand van het graf neerhangt. Opvallend zijn de imposante, neerhangende vleugels van de engel. Het werk verbeeldt de totale wanhoop. De schrijver en vriend Henry James beschrijft in zijn biografisch werk over William Wetmore Story (1903) hoe de beeldhouwer over het werk spreekt:
Het stelt de engel van het verdriet voor, in volkomen overgave, die zich met neerhangende vleugels en verborgen gezicht over een begrafenisaltaar werpt. Het vertegenwoordigt wat ik voel. Het vertegenwoordigt neerslachtigheid . Toch helpt het me om het te doen.

Geen profaan gezang mag klinken
In deze heilige stilte
Jan Mankes, Bomenrij, 1915
In de tweede strofe van het lied overweldigt de stilte en de rust. Precies deze sfeer vinden we terug in de landschappen van Jan Mankes (1889-1920). Jan Mankes wordt in 1889 in Meppel geboren en sterft op 30-jarige leeftijd in Eerbeek aan de gevolgen van tuberculose. Veel van zijn schilderijen getuigen van een diepe liefde voor de natuur en zijn vaak poëtisch en in een sfeer van grote verstilling geschilderd. De “heilige stilte” die doorklinkt in de muziek van Purcell, wordt bij wijze van antwoord verbeeld in Jan Mankes Bomenrij uit 1915, een werk dat bewaard wordt in het Museum MORE te Gorssel.
Op het pad links wandelt het echtpaar Mankes, terwijl vooraan een boer het land bewerkt. Toch verdwijnen deze drie figuren in de allesoverheersende winterse bomenrij, waarbij de sierlijke grafiek van de kale takken zich aftekent tegen de mistige, grijze lucht.
Wanneer Jan Mankes samen met zijn ouders naar het Friese dorpje De Knipe verhuist, vindt hij in dit landschap zijn inspiratiebron. Hij houdt van de uitgestrektheid van de weilanden en gaat vaak wandelen in Oranjewoud bij Heerenveen.

De naam Oranjewoud verwijst naar de aanwezigheid van de Oranje-Nassau’s van de 17de tot de 19de eeuw. Tot op de dag van vandaag kan je er mooi wandelen langs statige landgoederen en bossen. Sinds 2004 bevindt zich daar ook het Museum Belvédère: een museum voor moderne en hedendaagse kunst, waar het werk van Jan Mankes eveneens in de collectie is vertegenwoordigd.
Na zijn huwelijk met Anne Zernike verhuist het echtpaar omwille van de broze gezondheid van Jan naar Eerbeek, aan de rand van de Veluwe. In 1918 wordt hij echter geveld door de Spaanse griep en gecombineerd met zijn reeds zwakke gestel wordt dit hem fataal.

Ween enkel over mijn as en zeg: “Hier ligt
Een offerande, tegelijk gebracht aan de liefde en het lot”.
Caspar David Friedrich, Kloosterruïne Oybin (De dromer)
Het lied heeft een indrukwekkend slot. Een tweede stem (bas) voegt zich bij de sopraan, waardoor het lijkt alsof de liefde, ondanks het noodlot en het verdriet, een kleine opening biedt naar hoop en licht.
Eens te meer brengt Caspar David Friedrich ons hierop een beeldend antwoord. Werken van deze romantische Duitse schilder Friedrich (1774-1840) kwamen reeds eerder aan bod in deze muziekdialogen. (Reeks I, 5 - Reeks II, 18 - Reeks III, 6).
Tijdens een wandeltocht in de zomer van 1810 beklimmen Friedrich en zijn vriend Georg Friedrich Kersting de Oybin, een berg ten zuidwesten van Zittau. Op de top treffen ze een vestingruïne en een begraafplaats, evenals de ruïnes van een celestijnenklooster. Friedrich wordt intens geraakt door de omgeving en maakt er tekeningen die hij later in diverse schilderijen zal uitwerken.
De kloosterruïne van Oybin, beter bekend onder de titel De Dromer (1835) , wordt bewaard in het Staatsmuseum Hermitage in Sint-Petersburg. Ondanks de bescheiden afmetingen (27 x 21 cm) slaagt Friedrich erin de grootsheid van de locatie en de verstilde sfeer feilloos te vatten. De “dromer” zit bij avondschemering op de vensterbank van een monumentaal gotisch raam. Hij lijkt volledig in gedachten verzonken terwijl hij uitkijkt over een landschap met cipressen. De ondergaande zon zorgt voor een warme gloed en geeft de sombere ruïne een troostrijke glans.
De hele compositie van het schilderij sluit wonderwel aan bij de twee slotverzen uit het Purcells lied. De ruïnes roepen de sfeer van vergankelijkheid en eindigheid op. De tijd verstrijkt onherroepelijk. De dromer blijft in afzondering achter, maar ervaart - samen met ons als toeschouwer - de steeds terugkerende kracht van de natuur. De warme tinten van de avondzon leggen een liefdevol accent over de verstrijkende dag. Precies zoals de basstem de treurzang van de sopraan ondersteunt, lijkt het licht hier het verdriet te helpen dragen.
Tot slot
Deze muziekdialoog is een drieluik van troost geworden, ondanks het verdriet. De sopraan en de bas, de engel, de bomenrij en de dromer vertellen ons dat verdriet en hoop onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In de stilte die volgt nadat de laatste noot is weggestorven, blijft het beeld van de avondzon op de ruïne op ons netvlies gebrand, als een belofte dat de liefde, ondanks het lot, altijd het laatste woord heeft.
Jo Haerens





